ECLI:NL:CBB:2005:AS5296
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseis
Appellant, handelend onder de naam Taxi A, kreeg een vergunning voor taxivervoer verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat. Deze vergunning werd verleend op basis van de inbreng van vakbekwaamheid door een procuratiehouder, B. Na onderzoek concludeerde de Minister dat B niet langer voldeed aan de eis van permanent en daadwerkelijk leidinggeven binnen de onderneming van appellant, mede omdat B ook in andere ondernemingen werkzaam was en slechts beperkte werkzaamheden verrichtte.
De Minister trok daarop de vergunning in, wat appellant betwistte. Het College oordeelde dat de Minister bevoegd was om na vergunningverlening te onderzoeken of de feitelijke situatie overeenkomt met de aanvraag en dat het vertrouwensbeginsel niet verhindert dat een vergunning wordt ingetrokken indien niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
Het College stelde vast dat B niet permanent en daadwerkelijk leiding gaf zoals vereist, omdat zijn werkzaamheden beperkt waren tot administratieve controle en advies, terwijl de wezenlijke beslissingen door appellant zelf werden genomen. Ook het feit dat B in meerdere ondernemingen actief was, onderbouwde dit oordeel.
Daarom werd het beroep van appellant ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunning bevestigd. Het College zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de taxivergunning bevestigd.