ECLI:NL:CBB:2005:AS5292
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking taxivergunning wegens niet voldoen aan vakbekwaamheidseis door gebrek aan permanent leidinggeven
Appellant, handelend onder de naam B, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat tot intrekking van zijn taxivergunning. De vergunning was eerder verleend op basis van de vakbekwaamheid die werd ingebracht door een procuratiehouder, C. Na onderzoek bleek dat C niet langer permanent en daadwerkelijk leiding gaf aan de onderneming, zoals vereist volgens de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000.
De Minister had de vergunning ingetrokken omdat de werkzaamheden van C voornamelijk bestonden uit het controleren van de administratie en het geven van advies, zonder inhoudelijke betrokkenheid bij wezenlijke bedrijfsbeslissingen. Appellant stelde dat C ten minste acht uur per week leiding gaf en dat de intrekking onterecht was, mede omdat hij zijn diploma's later had behaald.
Het College overwoog dat de Minister bevoegd is om na vergunningverlening te toetsen of aan de vakbekwaamheidseis wordt voldaan en dat appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het blijvend behouden van de vergunning. Het College concludeerde dat de intrekking terecht was omdat de feitelijke situatie niet overeenkwam met de vergunningaanvraag en de procuratiehouder niet voldeed aan het vereiste van permanent en daadwerkelijk leidinggeven.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De belangen van appellant waren voldoende gewaarborgd door het verlenen van ruim uitstel en het wijzen op de gevolgen van het niet tijdig behalen van diploma's.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de taxivergunning bevestigd wegens het niet voldoen aan de eis van permanent en daadwerkelijk leidinggeven.