ECLI:NL:CBB:2005:AS3610
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.C. Cusell
- M.S. Hoppener
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van mkz-besmettingsbesluiten en laboratoriumbevoegdheid
In deze bestuursrechtelijke zaak zijn appellanten het niet eens met besluiten van de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) die hun evenhoevige dieren verdacht verklaarden van mond- en klauwzeer (mkz) en maatregelen zoals vaccinatie en doding oplegden. De besluiten zijn gebaseerd op laboratoriumonderzoek uitgevoerd door ID-Lelystad B.V., dat volgens appellanten niet bevoegd was volgens richtlijn 85/511/EEG.
Appellanten stelden onder meer dat het primaire besmettingsbedrijf van D onterecht als besmet was verklaard, dat de monstername en laboratoriumprocedures niet volgens voorschriften waren uitgevoerd, en dat verweerder onvoldoende inzage gaf in de laboratoriumdossiers. Verweerder verdedigde de besluiten met onderbouwing van het laboratoriumonderzoek, de DNA-onderzoeken die de herkomst van monsters bevestigden, en de certificeringen van ID-Lelystad B.V. Tevens werd gesteld dat ID-Lelystad B.V. feitelijk de opvolger is van het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI), dat wel in de richtlijn was genoemd.
Het College concludeerde dat de besluiten tot verdachtverklaring en doding van dieren rechtmatig zijn genomen, dat de laboratoriumuitslagen betrouwbaar zijn en dat de administratieve verwisselingen geen invloed hadden op de besluitvorming. Het College stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van richtlijn 85/511/EEG, met name over de directe werking van de verplichting dat mkz-onderzoeken door in de bijlage genoemde laboratoria moeten worden uitgevoerd en of ID-Lelystad B.V. onder de vermelding van het CDI valt.
De procedure werd geschorst in afwachting van de prejudiciële beslissing. Het College oordeelde tevens dat verweerder niet verplicht was om de volledige laboratoriumdossiers te overleggen en dat de taakverdeling tussen het laboratorium en het bestuursorgaan betekent dat verweerder gebonden is aan de door het laboratorium vastgestelde uitslagen.
Uitkomst: Procedure geschorst in afwachting van prejudiciële beslissing over laboratoriumbevoegdheid en uitleg richtlijn 85/511/EEG.