ECLI:NL:CBB:2004:AR6631
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- C.M. Wolters
- J.L.W. Aerts
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatregelen tegen verspreiding bruinrotbacterie op pootaardappelen in risicogebied Franeker
Appellanten, telers van pootaardappelen in het gebied ten noorden van Franeker, maakten bezwaar tegen door de Minister van Landbouw opgelegde maatregelen vanwege vermoedelijke besmetting met de bruinrotbacterie Ralstonia solanacearum. De maatregelen betroffen onder meer het verbod om besmette partijen als pootgoed te gebruiken en beperkingen in de afzet.
De besmetting van het oppervlaktewater werd vastgesteld op 26 juni 2002, waarna een risicogebied werd afgebakend op basis van waterstromen en veiligheidsmarges. Appellanten hadden beregend met oppervlaktewater uit dit gebied, wat leidde tot de aanzegging van maatregelen. Zij voerden aan dat het onderzoek onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd was, dat zij niet tijdig waren geïnformeerd en dat de afbakening van het risicogebied onduidelijk was.
Het College oordeelt dat de bemonstering en het onderzoek door de Plantenziektenkundige Dienst conform de Europese richtlijnen zijn uitgevoerd en dat de minister terecht maatregelen heeft genomen om verdere verspreiding te voorkomen. Het ontbreken van sluitend wetenschappelijk bewijs voor besmetting van individuele partijen wordt gecompenseerd door de waarschijnlijkheidsverklaring en de detectiedrempel. De afbakening van het risicogebied is zorgvuldig en niet willekeurig vastgesteld.
De informatievoorziening door de minister was voldoende, en appellanten droegen zelf het risico door te beregenen met mogelijk besmet oppervlaktewater. De beroepen worden ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van appellanten tegen de aanzegging van maatregelen wegens besmetting met bruinrotbacterie worden ongegrond verklaard.