ECLI:NL:CBB:2004:AR5590

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/1490
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WhvArt. 7 WhvArt. 19f BhvArt. 24 WhvArt. 25 Whv
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op toepassing paragraaf 6c Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij

Appellante heeft bij besluit van 1 mei 2003 een verzoek ingediend om toepassing van paragraaf 6c van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv), dat is afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven is het beroep behandeld op 21 september 2004.

De kern van het geschil betreft de vraag of appellante in aanmerking komt voor toepassing van paragraaf 6c Bhv, die een afwijkende bepaling van de hoogte van het varkensrecht mogelijk maakt bij onbillijkheden van overwegende aard. Verweerder heeft het beroep afgewezen omdat niet wordt voldaan aan artikel 19f, onder a, Bhv, aangezien de vervreemder van het bedrijf een opgave heeft gedaan van het gemiddeld gehouden aantal varkens in 1996.

Het College oordeelt dat verweerder de wettelijke bepalingen correct heeft uitgelegd en toegepast. De vrijstellingsverklaring 1996 van de vervreemder blijft geldig, ondanks latere aangifte van overschotheffing door appellante. Daarnaast biedt het Bhv geen grondslag voor toekenning van varkensrechten buiten de geregelde gevallen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van haar verzoek tot toepassing van paragraaf 6c Bhv wordt gehandhaafd.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 03/1490 2 november 2004
16500 Wet herstructurering varkenshouderij
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellante,
gemachtigde: mr. M.C.M.M. van de Ven, werkzaam bij Area Advies B.V. te Roermond,
tegen
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij Bureau Heffingen te Assen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2003 heeft verweerder het verzoek van appellante om in aanmerking te komen voor toepassing van paragraaf 6c van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (hierna: Bhv) afgewezen.
Bij besluit van 26 november 2003 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 december 2003, bij het College op diezelfde datum binnengekomen, beroep ingesteld. Bij brief van 5 februari 2004 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.
Bij brief van 4 maart 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Op 21 september 2004 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden de standpunten hebben toegelicht. Voor appellante is voorts ter zitting verschenen, C, directeur van appellante.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 In artikel 6, vierde lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij (hierna: Whv) is het volgende bepaald.
"Het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, is het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat met betrekking tot het desbetreffende bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996, bij gebreke daarvan, op het afsluitformulier 1996, dan wel bij gebreke daarvan, op de vrijstellingsverklaring 1996."
In artikel 6, vijfde lid, Whv is bepaald dat indien in 1996 overdracht van het bedrijf heeft plaatsgevonden, het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, wordt bepaald door de som van het over het gehele jaar 1996 gemiddelde aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, dat door de vervreemder van het bedrijf is gehouden, zoals deze aantallen blijken uit de door de vervreemder en de verkrijger gedane opgaven, bedoeld in het vierde lid.
Ingevolge artikel 25 Whv Pro kunnen bij algemene maatregel van bestuur, voor bepaalde groepen gevallen waarbij de bepaling van de hoogte van het varkensrecht overeenkomstig hoofdstuk II en artikel 24 Whv Pro leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, regels worden gesteld omtrent een van hoofdstuk II en artikel 24 Whv Pro afwijkende bepaling van de hoogte van deze rechten. Bij deze regels kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld.
Het Bhv is de in artikel 25 Whv Pro bedoelde algemene maatregel van bestuur.
In artikel 19f Bhv is het volgende bepaald.
"In zoverre in afwijking van artikel 2, eerste lid, worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht van een daartoe aangemeld bedrijf bepaald overeenkomstig deze paragraaf indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. ten aanzien van het bedrijf is geen opgave als bedoeld in de artikelen 6, vierde lid, en 7, tweede lid, van de wet gedaan;
b. het grondgebonden mestproductierecht van het bedrijf was zowel in 1996 als in 1995 tenminste 75% van de som van het grondgebonden mestproductierecht en het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen;
c. toepassing van deze paragraaf leidt tot een vergroting van het varkensrecht ten opzichte van het overeenkomstig artikel 8 van Pro de wet bepaalde varkensrecht met tenminste 10%."
2.2 In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt, ingenomen in het primaire besluit, gehandhaafd. Volgens verweerder komt appellante niet in aanmerking voor toepassing van paragraaf 6c Bhv omdat niet wordt voldaan aan artikel 19f, onder a, Bhv. Immers, de vervreemder van het bedrijf van appellante - degene van wie appellante het bedrijf heeft verworven - heeft opgave gedaan van het gemiddeld gehouden aantal varkens door middel van een vrijstellingsverklaring 1996, als bedoeld in artikel 6, vierde lid, Whv.
2.3 Naar het oordeel van het College heeft verweerder, anders dan appellante meent, zich terecht op dit standpunt gesteld en heeft verweerder de terzake geldende bepalingen juist uitgelegd en toepgepast. Blijkens de tekst van artikel 6, vierde en vijfde lid, Whv en de Memorie van Toelichting (TK 25746, nr. 3, p. 12) bij dit artikel is namelijk voor de hoogte van het varkensrecht van degene die een bedrijf heeft verworven, bepalend de opgave van het aantal varkens die is gedaan door de vervreemder.
2.4 Voorts is het College van oordeel dat de geldigheid van de vrijstellingsverklaring 1996 niet is komen te vervallen door het nadien doen van aangifte van overschotheffing over het jaar 1996 in verband met de overdracht van grond waardoor appellante niet-gebonden mestproductierechten heeft ontvangen. De enkele omstandigheid dat appellante deze aangifte overschotheffing heeft gedaan, biedt geen steun aan de opvatting dat de vrijstellingsverklaring 1996 zijn geldigheid heeft verloren. Bovendien is de aangifte overschotheffing eerst na 9 juli 1997 door verweerder ontvangen. Verweerder was niet bekend met deze aangifte en kon er derhalve geen rekening mee houden. Voorts is niet gebleken dat verweerder toezeggingen heeft gedaan waaruit kan worden afgeleid dat een aangifte van overschotheffing niet hoefde te worden ingediend. Derhalve dienen de consequenties van het te laat indienen van bedoelde aangifte voor rekening van appellante te blijven.
2.5 Verweerder heeft voorts terecht geen aanleiding gezien om aan de hand van het afzonderlijke bedrijfsonderdeel 'fokzeugen' eventuele varkensrechten vast te stellen.
Tekst van de wet noch de toelichting daarop bieden daarvoor aanknopingspunten. Bovendien stond voor dit onderdeel van het bedrijf, voordat het deel uitmaakte van het bedrijf van appellante, geen mestproductierechten geregistreerd, zodat na de overdracht geen extra varkensrechten zijn toegevoegd. Anders dan appellante heeft betoogt, heeft verweerder de wettelijke bepalingen niet te beperkt uitgelegd en toegepast.
2.6 Het College is tot slot van oordeel dat verweerder terecht heeft gemeend dat het wettelijk systeem van het Bhv geen ruimte biedt om, naast de geregelde gevallen neergelegd in het Bhv, in andere gevallen over te gaan tot toekenning van varkensrechten. Een wettelijke grondslag voor deze bevoegdheid ontbreekt. Dat de door appellante geschetste situatie waarin hij zich thans bevindt, ook door verweerder als een knelgeval wordt beschouwd, kan daaraan niet af doen.
2.7 Gelet op het vorenstaande moet de conclusie zijn dat verweerder bij het bestreden besluit op goede gronden zijn besluit heeft gehandhaafd dat appellante niet in aanmerking komt voor toepassing van paragraaf 6c Bhv. Het beroep van appellante dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. H.C. Cusell en mr. H. Bekker, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2004.
w.g. M.A. Fierstra w.g. P.M. Beishuizen