ECLI:NL:CBB:2004:AO8319
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- B. Verwayen
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen besluit tot doding van runderen wegens niet-naleving identificatieplicht
Verzoeker kreeg op 4 februari 2004 een besluit opgelegd om zeven runderen te doden wegens het niet kunnen aantonen van hun identiteit, gebaseerd op artikel 27 van Pro de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003 en Europese regelgeving. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om uitvoering van het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder de tenuitvoerlegging van het besluit had opgeschort tijdens de procedure. Er bestonden twijfels over de bevoegdheid van de minister om het besluit te nemen, mede omdat de Europese verordening waarop verweerder zich baseerde (EG 494/98) was gebaseerd op een inmiddels ingetrokken verordening (EG 820/97) en mogelijk niet meer rechtsgeldig was. Ook was onduidelijk of de maatregel van doding proportioneel was, aangezien deze niet expliciet in de latere verordening (EG 1760/2000) was opgenomen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het besluit onomkeerbare gevolgen heeft en dat verzoeker een groot immaterieel belang had bij het in leven houden van de dieren. Gelet op de onzekerheden en het feit dat geen acuut gevaar voor volks- of diergezondheid was aangetoond, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Het besluit werd geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot doding van zeven runderen wordt geschorst vanwege twijfel over bevoegdheid en proportionaliteit.