1. Ontstaan en loop van de gedingen
Door middel van een tweetal afzonderlijke op 28 november 1997 ondertekende formulieren heeft appellante bij het Bureau Registratie Diergeneesmiddelen van verweerders ministerie (hierna: BRD) aanvragen ingediend tot registratie van respectievelijk de niet-immunobiologische diergeneesmiddelen Dexadreson (NL9452) en Dexamedium (NL9458). Deze diergeneesmiddelen zijn injectievloeistoffen en zij bevatten respectievelijk de werkzame bestanddelen dexamethason natriumfosfaat (Dexadreson) en dexamethason dimethylbutyraat (Dexamedium). De diergeneesmiddelen zijn - mede - bedoeld voor toepassing bij dieren waarvan de producten gewoonlijk worden geconsumeerd.
Bij afzonderlijke brieven van 25 september 1998 heeft het BRD de behandeling van de aanvragen geschorst, appellante medegedeeld dat de door haar aangeleverde dossiers onvoldoende gegevens bevatten en verzocht voor 5 april 1999 aanvullende gegevens in te zenden.
Appellante heeft het BRD hierop nadere gegevens doen toekomen.
Bij afzonderlijke besluiten van 6 juli 2000 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de aanvragen tot registratie afgewezen, omdat niet met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat de middelen bij de voorgestelde wachttermijn geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens in de zin van artikel 4, onderdeel a, onder 2, van de Diergeneesmiddelenwet (hierna: DGW) en omdat niet met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat de middelen de opgegeven eigenschappen en kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezitten en de voor het controleren daarvan opgegeven methoden adequaat zijn in de zin van artikel 4, onderdeel b, van de DGW.
Tegen deze besluiten heeft appellante bij afzonderlijke brieven van 3 augustus 2000, aangevuld bij afzonderlijke brieven van 25 augustus 2000, bezwaar gemaakt.
Op 6 december 2000 is appellante naar aanleiding van haar bezwaren door een ambtelijke hoorcommissie van verweerder gehoord.
Bij afzonderlijke besluiten van 8 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Tegen de besluiten van 8 maart 2001 heeft appellante op 19 april 2001 beroep bij het College ingesteld. Deze beroepszaken zijn bij het College geregistreerd onder nummer AWB 01/297 (NL9452) en AWB 01/298 (NL9458).
Bij afzonderlijke brieven van 31 juli 2001 heeft verweerder appellante het volgende medegedeeld:
"Tijdens de behandeling van uw beroepschrift heeft het beoordelend instituut aangegeven tot een gewijzigd inzicht gekomen te zijn ten aanzien van uw argumenten die in het bezwaarschrift naar voren zijn gebracht. Voor mij is dit gewijzigd inzicht reden om - alvorens verweer te voeren tegen uw beroepschrift - u te verzoeken om aanvullende gegevens die tot een heroverweging kunnen leiden.
Het betreft de bezwaren aangaande de residugegevens.
Het beoordelend instituut heeft aangegeven dat zij van mening is dat zij nog de volgende aanvullende gegevens nodig heeft om een wachttermijn te kunnen vaststellen: