ECLI:NL:CBB:2004:AO6468
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking taxivergunning wegens onvoldoende bewijs van vakbekwaam leidinggeven
Appellant, een taxiondernemer, kreeg zijn vergunning voor taxivervoer ingetrokken door verweerder omdat niet werd voldaan aan de eis van vakbekwaamheid. Verweerder stelde dat de procuratiehouder C niet permanent en daadwerkelijk leiding gaf aan de onderneming, wat een vereiste is volgens de Wet personenvervoer 2000 en het Besluit personenvervoer 2000.
Appellant voerde aan dat hij als eigen rijder zonder chauffeurs tot 1 januari 2005 geacht wordt vakbekwaam te zijn volgens de overgangsregeling en dat de intrekking niet deugdelijk was gemotiveerd. Het College oordeelde dat de overgangsregeling niet inhoudt dat appellant tot die datum automatisch vakbekwaam is, maar dat de vakbekwaamheid moet worden ingebracht door de leidinggevende zoals bij de vergunningaanvraag was opgegeven.
Het College concludeerde dat verweerder ten onrechte de Verklaring inbreng vakbekwaamheid (VIV) heeft betrokken bij zijn beoordeling, omdat deze niet tijdig was ingediend. De feitelijke situatie moest worden getoetst aan de procuratiehoudersovereenkomst. Uit de stukken bleek dat de werkzaamheden van C binnen de overeenkomst vielen en dat het ontbreken van schriftelijke bewijzen van inhoudelijke betrokkenheid niet tegen appellant kon worden gebruikt.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de taxivergunning wordt vernietigd.