ECLI:NL:CBB:2003:AO1785
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- C.M. Wolters
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsverordening preventie runderziekten en rechtsongelijkheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Productschap Vee en Vlees waarin een heffing werd opgelegd op grond van de Heffingsverordening preventie runderziekten PVV 2000. De heffing betrof runderen die appellant in het eerste en tweede kwartaal van 2000 hield. Appellant stelde dat Staatsbosbeheer, dat ook runderen houdt in het gebied van de Oostvaardersplassen, onterecht geen heffing opgelegd kreeg, wat volgens hem leidde tot rechtsongelijkheid.
Het College overwoog dat Staatsbosbeheer geen ondernemer is in de zin van de Heffingsverordening omdat de activiteiten van Staatsbosbeheer niet als veehouderij worden beschouwd. De heffingsverordening is gericht op ondernemers die een onderneming drijven waarvoor het productschap is ingesteld. Het feit dat Staatsbosbeheer runderen bezit doet hieraan niet af.
Verder stelde appellant dat de heffing onjuist was omdat geen rekening werd gehouden met het verhoogde risico op runderziekten op zijn bedrijf. Het College oordeelde dat de heffing is gebaseerd op het aantal runderen en hun leeftijd, en dat een differentiatie naar risiconiveau niet in overeenstemming zou zijn met de solidariteitsgedachte achter de heffingsverordening.
Het beroep werd ongegrond verklaard omdat het Productschap niet onredelijk heeft gehandeld bij het vaststellen van de heffing en de verordening niet in strijd is met hogere regelgeving. Ook werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffing op grond van de Heffingsverordening preventie runderziekten wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.