ECLI:NL:CBB:2003:AO1120
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring te late aanvraag ooipremie
Appellant diende een aanvraag in voor ooipremie die volgens verweerder te laat was ontvangen, namelijk op 15 maart 2002, terwijl de uiterste indieningsdatum 4 maart 2002 was. Appellant stelde dat hij de aanvraag al op 21 januari 2002 had verzonden, ondersteund door een verklaring van een medewerker die hem hielp bij het invullen van het formulier. Verweerder kon echter niet bevestigen dat de aanvraag tijdig was ontvangen en stelde dat de aanvraag niet aangetekend was verzonden, waardoor het risico van te late ontvangst bij appellant lag.
Het College oordeelde dat appellant de bewijslast draagt om tijdige indiening aan te tonen en dat de overgelegde verklaring onvoldoende objectief bewijs vormde. Ook de ontvangst van andere gelijktijdig verzonden formulieren bood geen zekerheid dat de aanvraag ooipremie tijdig was verzonden. De stelling dat de administratie bij verweerder gebrekkig was, werd niet bewezen.
Verder overwoog het College dat verweerder niet verplicht is om ontvangstbevestigingen direct te verstrekken en dat appellant, bekend met de praktijk en de risico’s, had kunnen kiezen voor aangetekende verzending. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er waren geen bijzondere omstandigheden of overmacht die de termijnoverschrijding konden rechtvaardigen.
Het College concludeerde dat de aanvraag op 15 maart 2002 werd ontvangen en daarom niet tijdig was. De niet-ontvankelijkverklaring door verweerder was terecht en het beroep werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. J.A. Hagen op 5 december 2003.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de te laat ingediende aanvraag ooipremie wordt ongegrond verklaard.