5. De beoordeling van het geschil
Het College overweegt allereerst dat appellante er ten onrechte over klaagt, dat verweerder zich bij de onderhavige besluitvorming op een ander artikellid baseert, dan bij zijn eerdere besluit van 30 december 1999 het geval was. De regelgeving is inmiddels gewijzigd en daardoor is het destijds aan het besluit ten grondslag liggende artikel 2a, vierde lid, nu het zesde lid van genoemde bepaling geworden. Waar verweerder de nieuwe beslissing op bezwaar, behoudens zich hier niet voordoende uitzondering, moest baseren op de ten tijde van die beslissing geldende regelgeving, heeft verweerder de juiste bepaling aangehaald.
Het College overweegt vervolgens dat verweerder - in vergelijking met hetgeen geconstateerd moest worden in de procedure, die leidde tot de uitspraak van het College van 27 juni 2001 - zijn stellingen nu naar behoren heeft onderbouwd. Enerzijds heeft verweerder gepreciseerd hoe hij zich een gebruik ten behoeve van het onderhoud van raketten voorstelt en anderzijds heeft hij aangegeven waarom het minder aannemelijk te achten is dat D de compressor voor eigen gebruik besteld zou hebben. Wat het eerste punt betreft heeft verweerder verduidelijkt welke functie de compressor wellicht zou kunnen spelen bij het op druk brengen van een drukvat met perslucht van een mobiele raket en het vullen van die raket op de lanceerplek met vloeibare brandstof. In de zin van artikel 2a, zesde lid, van de In- en uitvoerwet heeft verweerder zulks aangemerkt als een mogelijke bijdrage aan het onderhoud van een raket die chemische, biologische of nucleaire wapens naar een doel vervoert.
Op het andere punt heeft met name het onderzoek bij E de nodige helderheid geschapen. De compressor heeft niet de juiste specificaties voor het door D daarvoor opgegeven gebruik. Ook de inrichting van de container met een luchtgekoelde compressor en daarnaast een separate geforceerde luchtkoeling, die in de wand van de container is ingebouwd, lijkt van geen belang als de compressor bedoeld is om op een vaste plaats in het ontslakkingsproces van plaatstaal te fungeren.
Verweerder heeft het gestelde in het rapport van prof.dr. Karl. M. Kautz gemotiveerd tegengesproken.
De conclusie van het College is dan ook dat er tenminste zeer gerede twijfel bestaat of de compressor na uitvoer zal worden gebruikt voor het door appellante opgegeven doel.
Wat betreft de vraag of het op druk brengen en vullen van brandstoftanks van een raket als onderhoud van die raket in de zin van artikel 2a, zesde lid, van de In- en uitvoerwet aangemerkt kan worden, overweegt het College dat het, naar verweerder ter zitting overtuigend heeft uiteengezet, noodzakelijke handelingen zijn om een raket gebruiksklaar te hebben en te houden, en dat zij behoren tot het normale onderhoud- en testprogramma.
Al het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat het bestreden besluit in stand kan blijven, zodat het daartegen gerichte beroep voor ongegrondverklaring in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling vindt het College geen aanleiding.