ECLI:NL:CBB:2003:AN8968
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- D. Roemers
- M.A. van der Ham
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over aansprakelijkheid voor landbouwheffing bij onttrekking melkpoeder aan douanetoezicht
Appellante stelde beroep in tegen een besluit van verweerder waarin zij aansprakelijk werd gesteld voor landbouwheffing over melkpoeder die aan het douanetoezicht zou zijn onttrokken. Het geschil betreft leveringen van melkpoeder uit GOS/Baltische Staten in de periode 1993-1994, waarbij verweerder stelde dat appellante wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de heffingen niet waren voldaan.
Het College overwoog dat de douaneschuld ontstaat op het moment van onttrekking aan het douanetoezicht en dat appellante als kenner van de markt had moeten nagaan of heffingen waren voldaan. Echter, het College stelde vast dat het equivalentieverkeer van melkpoeder uit derde landen in die periode mogelijk was en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom appellante niet op dit verweer kon worden afgerekend.
Verder oordeelde het College dat het toepasselijke recht voor de in 1993 ontstane schulden niet het latere CDW was, maar nationale bepalingen zoals artikel 5b van de In- en uitvoerwet. Verweerder kon niet aantonen dat appellante door haar handelen toedoen had geleverd in de zin van die wet. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen, met aandacht voor het equivalentieverkeer en de aanwijzingen die daarop duiden.
Tot slot werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen.