ECLI:NL:CBB:2003:AN8955
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- D. Roemers
- M.A. van der Ham
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanslag landbouwheffing wegens onterechte aansprakelijkheid voor douaneschuld
Appellante stelde beroep in tegen een besluit van verweerder waarin zij aansprakelijk werd gehouden voor een douaneschuld voortvloeiend uit het onttrekken van melkpoeder aan het douanetoezicht in 1993. Verweerder baseerde de aansprakelijkheid primair op artikel 203 CDW Pro, dat echter pas per 1 januari 1994 in werking trad, waardoor terugwerkende kracht ontbreekt.
Het College oordeelde dat het bestreden besluit daarom vernietigd moest worden. Vervolgens werd beoordeeld of de aansprakelijkheid kon worden gebaseerd op artikel 4 van Pro Verordening (EEG) nr. 1031/88 en artikel 5b van de In- en uitvoerwet. Verweerder stelde dat appellante door haar handelen als kenner van de markt had moeten weten dat de heffingen niet waren voldaan en dat zij door afspraken over vervoer en aflevering mede verantwoordelijk was.
Het College stelde echter vast dat appellante niet degene was door wiens toedoen de heffing niet of niet volledig was opgelegd, aangezien de feitelijke onttrekking en niet-zuivering door de leverancier (C) was veroorzaakt. Gelet hierop werd appellante niet als mede-aansprakelijke aangemerkt en werd de aanslag op nihil gesteld. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag landbouwheffing op nihil gesteld wegens ontbreken van aansprakelijkheid van appellante.