3. De beoordeling van het beroep
3.1 Appellant heeft naar voren gebracht dat naar aanleiding van een door K, tegen P ingediende claim een schikking is getroffen waarmee honderden miljoenen dollars zijn gemoeid. Hieruit blijkt volgens appellant dat de desbetreffende claim, anders dan B en PQ willen doen voorkomen, wel degelijk kansrijk was. In de jaarrekening 2000 van PQ had dan ook een voorziening moeten worden getroffen in verband met deze claim, althans had het bestaan van de claim uitdrukkelijk in het jaarverslag 2000 van PQ moeten worden vermeld.
3.2 B heeft verklaard dat een aanzienlijk aantal rechtspersonen of samenwerkingsverbanden in verschillende landen de naam P voert. Deze entiteiten werken op bepaalde terreinen samen, maar zijn in juridische zin zelfstandig ten opzichte van elkaar. Om haar moverende redenen heeft K een groot aantal personen en entiteiten aansprakelijk gesteld, waaronder personen en entiteiten die niet of nauwelijks betrokken zijn geweest bij de aanleiding tot de desbetreffende claim. Dit laatste geldt ook voor PQ.
Na bestudering van op de claim betrekking hebbende stukken, waaronder adviezen van door PQ terzake geraadpleegde deskundigen, heeft B de conclusie getrokken dat de kans van slagen van de desbetreffende claim, voorzover gericht tegen PQ en haar vennoten, uiterst gering was. Deze conclusie is achteraf juist gebleken: PQ was geen partij bij de schikking en hoefde daar ook niet aan mee te betalen.
B is van mening dat in de jaarrekening 2000 van PQ terecht geen voorziening is getroffen terzake van meerbedoelde claim en dat deze claim ook anderszins geen vermelding behoefde in het jaarverslag 2000 van PQ. B concludeert dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond vormt voor het oordeel dat hij ten onrechte een goedkeurende verklaring heeft afgegeven bij de jaarrekening 2000 van PQ.
3.3 Het College is van oordeel dat appellant de feitelijke juistheid van het betoog van B niet overtuigend heeft bestreden. Weliswaar heeft appellant ter zitting van het College gesteld te beschikken over notulen die het betoog van B ontkrachten, maar hij heeft deze notulen niet overgelegd. Voorts heeft appellant gesteld dat hij ervan overtuigd is dat de schikking wel degelijk financiële consequenties heeft gehad voor PQ, maar hij heeft desgevraagd verklaard dat niet te kunnen bewijzen.
Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen uit het door appellant en B gestelde duidelijk is geworden over de claim, kan naar het oordeel van het College niet worden vastgesteld dat het ten tijde van de door B verrichte controlewerkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening 2000 van PQ waarschijnlijk was dat PQ in een procedure terzake zou worden veroordeeld. Op de voet van richtlijn 252 (Voorzieningen) voor de jaarverslaglegging van het NIVRA bestond derhalve geen gehoudenheid een voorziening te treffen, terwijl zodanige gehoudenheid evenmin anderszins bestond.
Het College ziet op grond van de voorhanden zijnde informatie voorts niet in dat B had moeten aandringen op het maken van een opmerking over het bestaan van de claim in het jaarverslag 2000 van PQ.
Het beroep slaagt derhalve niet.
Na te melden beslissing rust op titel II, § 6, van de Wet op de Registeraccountants.