2. De grondslag van het geschil
Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Bij vonnis van 3 september 1982 van de Kantonrechter te Tilburg is het pachtcontract waarbij de broer van appellant de boerderij aan de C-straat in B pachtte van zijn vader ontbonden. Bij uitspraak van 25 april 1983 heeft het Gerechtshof te Arnhem dit vonnis bekrachtigd.
- Op de boerderij is in het jaar 1983 geen melk geproduceerd.
- In 1991 heeft appellant de boerderij in pacht verworven.
- Bij besluit van 5 december 1991 heeft verweerder de aanvraag van appellant om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid op grond van de Beschikking Superheffing SLOM-deelnemers afgewezen.
- Bij formulier gedateerd 27 september 1993 heeft appellant zich tot verweerder gewend met een verzoek om schadevergoeding in het kader van Verordening(EG) nr. 2187/93.
- Bij besluit van 2 november 1993 heeft de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie appellant medegedeeld dat hem geen aanbod tot schadevergoeding in het kader van de Regeling schadevergoeding SLOM-deelnemers zal worden gedaan.
- Bij ongedateerde brieven, ontvangen door verweerder op 18 januari en 31 januari 1996, heeft appellant er op gewezen dat hij beschikt over een stal voor 50 koeien en een Hinderwetvergunning en gesteld dat hij een probleemgeval is.
- Bij brief van 14 maart 1996 heeft verweerder appellant medegedeeld dat zijn brieven zijn opgevat als een verzoek om herziening van de beslissing van de directeur LNO en het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
- Bij brieven ingekomen op 26 maart 1996 en 26 mei 1996, met het opschrift bezwaarschrift, heeft appellant verklaard dat hij, als probleemgeval, aanspraak heeft op een hinderwetvergunning, op een hoeveelheid heffingvrij te leveren melk van 300.000 kg en op schadevergoeding.
- Bij besluit van 9 december 1996 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
- Bij ongedateerde brief, ingekomen bij verweerder op 19 april 1999 heeft appellant verzocht om schadevergoeding voor de hinderwetvergunning aangezien die nog een half jaar geldig was, dan wel om toekenning van een heffingvrij te leveren hoeveelheid melk van 350.000 kg.
- Bij brief van 19 augustus 1999 heeft verweerder appellant onder meerhet volgende meegedeeld:
" U brengt in Uw brief geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren die voor mij aanleiding zijn om terug te komen op mijn besluit van 14 maart 1999. Indien u voor schadevergoeding in aanmerking wenst te komen zult u zich nog steeds moeten richten tot de instellingen van de Europese Unie. Er is geen knelgevallen- of probleemgevallenregeling waar u in deze situatie een beroep op zou kunnen doen.