ECLI:NL:CBB:2003:AI1353
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over energie-investeringsaftrek voor warmtekrachtinstallaties
Appellanten, exploitanten van een glastuinbouwbedrijf, deden in 1999 verzoeken om energieverklaringen voor investeringen in twee warmtekrachtinstallaties (Zantec 300 en Zantec 590). Verweerder gaf verklaringen af op basis van de Energielijst 1998, waarbij alleen de Zantec 300 met rookgascondensor werd erkend als energie-investering. Appellanten voerden aan dat het om één installatie ging en dat een rookgaskoeler gelijkgesteld kon worden met een rookgascondensor. Tevens stelden zij dat de toepassing van de Energielijst 1998 in strijd was met rechtszekerheidsbeginselen omdat de Energielijst 1999 later was gepubliceerd.
Het College oordeelde dat de investeringen in twee afzonderlijke warmtekrachtinstallaties betroffen, waarvan slechts de Zantec 300 voldeed aan de vereisten van de Energielijst 1998. De rookgaskoeler kon niet als rookgascondensor worden aangemerkt. De toepassing van de Energielijst 1998 was correct omdat deze gold op het moment dat de investeringsverplichtingen werden aangegaan. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Het College benadrukte dat de Energielijst limitatief is en dat de regeling geen terugwerkende kracht kent. De stelling dat de rookgassen van de Zantec 590 via de rookgascondensor van de Zantec 300 zouden worden geleid, werd verworpen. Ook het vertrouwens-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel werden niet geschonden door toepassing van de oudere lijst.
Uitkomst: Het beroep van appellanten tegen de besluiten over energie-investeringsaftrek voor de Zantec 590 wordt ongegrond verklaard.