3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder
Het bestreden besluit en het verweerschrift houden onder meer het volgende in.
3.1 Anders dan appellanten menen is verweerder wel degelijk bevoegd indieningtermijnen vast te stellen in beleidsregels. Dit hangt ten nauwste samen met de doelstellingen van de Wet, te weten het tot stand brengen van een evenwichtig stelsel van tarieven en kostenbeheersing. In de sinds 1983 bij de tariefvaststellingen gehanteerde budgetteringssystematiek dient aan het begin van het jaar zoveel mogelijk bekend te zijn wat de hoogte is van het budget. Productieafspraken worden vóóraf gemaakt en daarom dienen de instelling met het oog op haar bedrijfsvoering, en de minister in verband met de hoogte van het macrobudget, tijdig inzicht te hebben in de gemaakte productieafspraken. Al in 1995 heeft de minister gewezen op het belang van het tijdig beschikbaar komen van de gegevens met betrekking tot de productieafspraken. Op 17 november 1995 heeft de minister een aanwijzing aan verweerder gegeven waarin 1 maart 1995 als uiterste datum is gesteld voor een verzoek om goedkeuring van een budget. Deze aanwijzing had betrekking op de beleidsregels en mitsdien op de hoogte, de opbouw en de wijze van berekening van de tarieven. Ten vervolge op die aanwijzing heeft verweerder (daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger) sedert 1996 voor de thuiszorgorganisaties beleidsregels voor indieningtermijnen vastgesteld. Deze dragen bij tot rechtszekerheid voor alle betrokkenen. Van enige sanctie bij overschrijding van de indieningstermijn is geen sprake. In de beleidsregels wordt niet meer en niet minder bepaald dan dat het feitelijk gevolg van de late indiening de afwijzing van het verzoek is, zonder een verdere inhoudelijke beoordeling. Dat is ook wat is gebeurd.
Verweerder heeft gewezen op de uitspraak van het College van 19 november 2002, AWB 01/74 waarin het risico voor de gevolgen van een niet realistische schatting van de productieafspraken in de budgetsystematiek bij de betrokken organen van gezondheidszorg wordt gelegd. Voorts op de uitspraak van het College van 12 februari 2002, AWB 99/652, waarin het College het hanteren van indieningtermijnen in de budgetsystematiek heeft beoordeeld.
3.2 Ten algemene heeft verweerder in het bestreden besluit opgemerkt dat op grond van de "Beleidsregel indieningtermijnen" de budgetformulieren 2001 uiterlijk 15 maart 2001 bij verweerder moesten worden ingediend. Verder konden thuiszorginstellingen ingevolge artikel 2.1f van de "Beleidsregel aanvaardbare kosten 2001" tot 15 maart 2001 een verzoek tot structurele budgetoverheveling bij verweerder indienen.
Bovendien konden de thuiszorginstellingen op grond van artikel 2.2g van de Beleidsregel aanvaardbare kosten vóór 1 december 2001 een verzoek doen tot positieve dan wel negatieve aanpassing van het budget. Het gaat hier volgens de tekst van de beleidsregel om de gerealiseerde productie in relatie tot de afgesproken productie (regulier en aanvullend) en tot de omvang van de wachtlijst.
Naar het oordeel van verweerder gaat de stelling van appellanten dat ook een mogelijke budgetoverheveling van algemene thuiszorg naar okz/dieetadvisering onder artikel 2.2g van de "Beleidsregel aanvaarbare kosten 2001" valt, niet op. Artikel 2.2g bepaalt immers dat er sprake moet zijn van verschillen tussen afgesproken productie en gerealiseerde productie (p x q). Het gaat daarbij dus niet om andere budgetonderdelen zoals bestedingsafspraken of budgetoverhevelingen. In artikel 2.1f van diezelfde beleidsregel is verder expliciet bepaald dat verzoeken tot structurele budgetoverheveling tot 15 maart 2001 bij verweerder konden worden ingediend. Hierbij verwijst verweerder tevens naar de circulaire van 18 december 2000 waarin ook duidelijk is aangegeven dat een verzoek tot budgetoverheveling van algemene thuiszorg naar okz/dieetadvisering vóór 1 maart 2001 (later veranderd in 15 maart 2001) bij verweerder moest worden ingediend. Verweerder blijft van mening dat het afwijzende besluit conform de vigerende beleidsregels tot stand is gekomen.
Via de circulaire van 18 december 2000 heeft verweerder partijen expliciet geïnformeerd over het structurele karakter van de budgetoverheveling, die vóór 15 maart 2001 voor de laatste keer kon worden aangevraagd.
3.3 Met betrekking tot de door appellanten gezamenlijk aangevoerde argumenten die zouden nopen tot het afwijken van de beleidsregel merkt verweerder het volgende op:
ten aanzien van de stelling dat eerst later bleek dat de negatieve gevolgen van een eventuele overheveling van de thuiszorg naar de okz en dieetadvisering gecompenseerd konden worden door aanvullende productieafspraken (in de thuiszorg), blijft verweerder van oordeel dat dit zowel uit de tekst van de beleidsregel als uit de circulaire van 18 december 2000 blijkt. Verweerder ziet hierin geen reden om af te wijken van de beleidsregel, temeer niet omdat de regelgeving na 15 maart 2001 niet meer is gewijzigd. In het kader van de financieringsoverdracht naar de gemeenten die aanvankelijk was voorzien per 1 januari 2001 hebben appellanten er aan het begin van het jaar 2001 voor gekozen om geen budgetoverheveling aan te vragen. Zij hebben destijds geen geld aan de thuiszorg willen onttrekken. Toen de financieringsoverdracht verschoven was naar 1 januari 2003, zijn appellanten geconfronteerd met de gevolgen van hun beleidskeuze. De gevolgen daarvan dienen echter voor rekening van appellanten te blijven. Er is hier sprake van een omstandigheid die voor alle thuiszorginstellingen gelijkelijk geldt en niet van een bijzondere individuele omstandigheid, die noopt tot afwijking van de beleidsregel. En op grond van de beleidsregel geldt dat partijen vóór 15 maart 2001 budgetoverheveling hadden kunnen aanvragen. De gestelde terugval in de basisproductie had gecompenseerd kunnen worden door het aanvragen van een hogere aanvullende productieafspraak. Dit had naar de mening van verweerder ook in de rede gelegen nu er volgens appellanten al jaren sprake is van tekorten in de okz. Appellanten hebben verzuimd tijdig een verzoek tot budgetoverheveling dan wel het ophogen van de bestedingsafspraken in te dienen.
Wellicht ten overvloede merkt verweerder hierbij op dat hogere kosten als gevolg van hogere productie (p x q) tot 1 december 2001 werden gehonoreerd door verhoging van de aanvaardbare kosten. Positieve nacalculatie op de productie is immers in de beleidsregels vastgelegd. In dit geval is voornamelijk sprake van een hogere overhead en zijn geen directe uren zorg geleverd. Verweerder dit nader toegelicht. Voor zover appellanten dus in dit verband - mede - het oog hebben gehad op de wachtlijsten voor ouder- en kindzorg en dieetadvisering, had verweerder de budgetoverheveling kunnen accorderen, maar alleen als er in 2001 aantoonbaar meer productie in dat segment zou zijn geleverd. Nu dat niet het geval is dient het bezwaar conform de beleidsregel te worden afgewezen. Verweerders gemachtigde heeft daar ter zitting aan toegevoegd dat dit alleen anders zou zijn als toepassing van de beleidsregel voor de belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.