ECLI:NL:CBB:2003:AF2740
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- H.C. Cusell
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid besluit tot preventieve ruiming en vaccinatie bij verdenking mond- en klauwzeer
Appellant voerde beroep aan tegen het besluit van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees om zijn evenhoevige dieren verdacht te verklaren van mond- en klauwzeer (MKZ) en deze te vaccineren en vervolgens te ruimen. Hij betwistte onder meer de rechtmatigheid van de verdachtverklaring, de toepassing van vaccinatie en de preventieve ruiming, stellende dat deze maatregelen niet in overeenstemming waren met het gemeenschapsrecht en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd).
Het College overwoog dat verweerder zich op redelijke gronden kon baseren op veterinaire adviezen en het gemeenschapsrecht, waaronder Richtlijn 85/511/EEG en de daarop gebaseerde beschikkingen van de Europese Commissie, die het gebruik van suppressievaccinatie en het doden van verdachte dieren toestaan. De preventieve ruiming was gerechtvaardigd gezien het hoge besmettingsrisico en de noodzaak tot effectieve bestrijding van MKZ. Tevens werd geoordeeld dat de termijn van verdachtverklaring van 21 dagen niet was overschreden omdat vaccinatie en doding onlosmakelijk verbonden waren.
Appellants bezwaren over het ontbreken van een volledige schadevergoeding en het vermeende onrechtmatig handelen van verweerder werden verworpen, waarbij werd gewezen op de wettelijke regeling voor tegemoetkoming in schade en de beoordelingsruimte van verweerder bij veterinaire risico's. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het bestreden besluit stand hield.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verdachtverklaring, vaccinatie en preventieve ruiming van dieren wegens verdenking van mond- en klauwzeer wordt ongegrond verklaard.