ECLI:NL:CBB:2002:AF0459
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- J.A. Hagen
- M.A. Fierstra
- F.W. du Marchie Sarvaas
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op hardheidsgeval bij toekenning pluimveerechten wegens ontbreken milieuvergunning
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij waarin het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag voor pluimveerechten op grond van een hardheidsgeval werd ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij onomkeerbare investeringsverplichtingen had gedaan voor uitbreiding van zijn pluimveebedrijf, onder meer door een octrooiaanvraag voor een nieuw stalsysteem, en dat hij daarom recht had op een hoger fosfaatquotum.
Het geschil draaide om de uitleg en toepassing van artikel 58k, eerste lid, onderdeel a, van de Meststoffenwet, dat bepaalt dat alleen bedrijven die tussen 1 januari 1994 en 6 november 1998 een milieuvergunning hebben aangevraagd of een melding hebben gedaan in combinatie met een bouwvergunning, in aanmerking komen voor het hardheidsgeval. Appellant had pas in december 1999 een milieuvergunning aangevraagd, waardoor hij niet aan deze criteria voldeed.
Het College oordeelde dat de wettelijke criteria limitatief zijn en dat er geen ruimte is voor individuele beoordeling van onomkeerbare investeringsverplichtingen buiten deze criteria. Ook de stelling dat de criteria slechts richtlijnen zijn, werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard omdat appellant niet had aangetoond dat zijn uitbreidingsplannen zo ver waren gevorderd dat stopzetting geen reële mogelijkheid meer was. Daarnaast werd het beroep afgewezen wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing van een schending van het gelijkheidsbeginsel en het ontbreken van een onevenredig nadeel.
Het College benadrukte dat het stelsel van pluimveerechten een gebonden bevoegdheid betreft en dat het niet in strijd is met het fair balance beginsel of het gelijkheidsbeginsel. De belangenafweging is door de wetgever reeds gemaakt en de rechter heeft geen toetsingsvrijheid ten aanzien van de Meststoffenwet. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet voldoet aan de wettelijke criteria voor het hardheidsgeval bij pluimveerechten.