ECLI:NL:CBB:2002:AE9962

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
11 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/1064
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.E. Doolaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:2 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen algemeen verbindend voorschrift Meststoffenwet

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij waarbij het bezwaar tegen het Besluit zand- en lössgronden niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit besluit betreft de aanwijzing van zand- en lössgronden en uitspoelingsgevoelige gronden als algemeen verbindend voorschrift op grond van de Meststoffenwet.

Het geschil draait om de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het College heeft geoordeeld dat het Besluit een algemeen verbindend voorschrift is, dat niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere uitspraken en de aard van het besluit, dat betrekking heeft op een onbepaald aantal personen en topografische percelen zonder concrete aanwijzing van individuele kadastrale percelen.

Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard en het onderzoek is niet voortgezet. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat het Besluit integraal deel uitmaakt van de Meststoffenwet en als zodanig niet kan worden aangevochten via bezwaar of beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het Besluit zand- en lössgronden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(eerste enkelvoudige kamer)
No. AWB 02/1064
16060 Meststoffenwet
Besluit zand- en lössgronden
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
tegen
de Kroon, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder.
1. De procedure
Op 4 juni 2002 heeft het College een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 april 2002.
Bij dit besluit is het bezwaar van appellant tegen het (Koninklijk) Besluit van 27 november 2001, houdende aanwijzing van zand- en lössgronden en uitspoelingsgevoelige gronden (Besluit zand- en lössgronden, Stb. 2001, 579, hierna: het Besluit), niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen:
" (…)
Op grond van artikel 8:1, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende bezwaar maken tegen een besluit. Artikel 1:3, eerste lid, Awb verstaat onder een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 18, vierde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, is het, voorzover hier van belang, niet mogelijk om beroep in te stellen en
- gelet op artikel 7:1 van Pro de Awb - evenmin om bezwaar te maken, tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift.
Het Besluit is gebaseerd op en strekt tot uitvoering van artikel 1, eerste lid, onderdelen aa en ac, van de Meststoffenwet. Bij het Besluit zijn kaarten vastgesteld, die voor de daarbij betrokkenen bindend zijn. Het gaat daarbij om een algemene aanwijzing in heel Nederland van topografische percelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van de Metstoffenwet.
Het betreft aldus een reeks van gevallen. Het gaat niet om de aanwijzing van concrete kadastrale percelen. Tevens is het Besluit niet gericht tot een concrete groep van personen. Dat de topografische percelen altijd zijn terug te voeren op concrete personen, maakt de aanwijzing nog niet zodanig concreet dat de algemene strekking van het Besluit verdwijnt. Het Besluit raakt een onbepaald aantal personen omdat van tevoren niet duidelijk is welke personen met de desbetreffende topografische percelen in verband kunnen worden gebracht.
De gebiedsaanwijzing die bij het Besluit plaatsvindt is niet aan de regeling in de Meststoffenwet ondergeschikt, maar maakt daarvan een essentieel en samenhangend deel uit en wel zodanig, dat het op die wijze in het karakter van algemeen verbindend voorschrift deelt.
Hieruit volgt dat het Besluit een algemeen verbindend voorschrift is, dat als zodanig niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.
In zijn uitspraak van 11 februari 2002 heeft de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in twee verzoeken om een voorlopige voorziening dit standpunt bevestigd.
Besluit
Gelet op het bovenstaande verklaar ik uw bezwaarschrift niet ontvankelijk."
3. Het standpunt van appellant
Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep - voorzover van belang - het volgende aangevoerd:
" (…)
Ondergetekende stelt zich op het standpunt dat de niet ontvankelijkverklaring door de Minister in rechte geen stand kan houden. Het besluit zand- en lössgronden betreft een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Algemene Pro wet bestuursrecht. Voorts ben ik van mening dat de aanwijzing van zand- en lössgronden en uitspoelingsgevoelige gronden zowel procedureel als materieel onzorgvuldig is geschied. En het is niet deugdelijk gemotiveerd."
4. De beoordeling van het geschil
Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het College heeft in zijn uitspraak van 5 september 2002 (AWB 02/356, 02/370, 02/382, 02/383, 02/406 en 02/534) (te raadplegen op www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE7398) geoordeeld dat het Besluit dient te worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, dat als zodanig niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het College acht het beroep kennelijk ongegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
Het College ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
Met toepassing van artikel 19 van Pro de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, juncto artikel 8:54 van Pro de Awb leidt vorenstaande tot de volgende uitspraak.
5. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op .
w.g. W.E. Doolaard w.g. S.F.E. Raeven