ECLI:NL:CBB:2002:AE8300

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
5 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/400
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Wolters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 19 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatieRegeling betreffende het bijeenbrengen van dieren
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking besluit inzake varkensverzamelcentrum

Verzoekster, Nederpol B.V., kreeg per brief van 1 maart 2002 te horen dat zij varkens en andere evenhoevigen niet meer mocht verzamelen op haar bedrijf en dat zij geen definitieve erkenning als varkensverzamelcentrum zou krijgen. Hiertegen werd bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tijdens de procedure trok verweerder het besluit van 1 maart 2002 in, waarna verzoekster het verzoek om voorlopige voorziening introk en een proceskostenveroordeling vorderde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking van het besluit door verweerder neerkomt op tegemoetkoming aan verzoekster, waardoor op grond van artikel 8:75a Awb proceskosten kunnen worden toegewezen. Verweerder stelde voor een wegingsfactor van 0,25 toe te passen, maar de rechter wees dit af omdat het gewicht van de onderliggende zaak bepalend is en niet de inhoud van het verzoekschrift.

De proceskosten werden vastgesteld op €322, conform een gemiddeld gewicht volgens bijlage C1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Staat der Nederlanden werd veroordeeld deze kosten te vergoeden. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €322 na intrekking van het besluit.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken
No.AWB 02/400 5 september 2002
11242 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:
Nederpol B.V., te Lunteren, verzoekster,
gemachtigde: mr J.J.J. de Rooy, advocaat te Tilburg,
tegen
de Directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,
gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn, werkzaam bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij te 's-Gravenhage.
1. De feiten
Bij brief van 1 maart 2002 heeft de kringdirecteur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees Oost verzoekster medegedeeld dat het haar met ingang van 15 maart 2002 is verboden varkens (en andere evenhoevigen) te verzamelen op haar bedrijf aan de Goorsteeg te Lunteren en dat verweerder voorts zal worden geadviseerd verzoekster geen definitieve erkenning als varkensverzamelcentrum op grond van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren 2000 te verstrekken.
Bij brief van 7 maart 2002 heeft verzoekster tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Op 11 maart 2002 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek bij wege van een voorlopige voorziening het voormelde besluit van verweerder te schorsen.
Bij faxbericht van 12 maart 2002 is van de zijde van verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening ontvangen.
Bij brief van 15 maart 2002 heeft verzoekster de gronden van het verzoek om voorlopige voorziening nader aangevuld.
Op 19 maart 2002 heeft verweerder verzoekster medegedeeld het besluit van 1 maart 2002 in te trekken.
Hierop heeft verzoekster bij faxbericht van diezelfde dag het verzoek om voorlopige voorziening eveneens ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.
Bij brief van 22 maart 2002 is verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk op het verzoek om proceskostenveroordeling te reageren.
Op 3 mei 2002 heeft verweerder medegedeeld bereid te zijn het griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Bij deze gelegenheid heeft verweerder voorts aangegeven eveneens aanleiding te zien met toepassing van wegingsfactor 0,25 als bedoeld in bijlage C1 bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de kosten voor indiening van het verzoekschrift te vergoeden.
2. De beoordeling van het verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb
Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld.
Nu verweerder hangende het door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige voorziening heeft besloten het besluit van 1 maart 2002 ten aanzien waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd, in te trekken, moet het er hier voor worden gehouden dat verweerder aldus aan verzoekster is tegemoetgekomen. Verweerder heeft dit niet betwist. Gelet hierop ligt het verzoek om kostenveroordeling kennelijk voor toewijzing gereed en veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten van het geding.
Ten aanzien van de vaststelling van de hoogte van de door verweerder aan verzoekster te vergoeden proceskosten volgt de voorzieningenrechter verweerder niet in zijn betoog dat daarbij een wegingsfactor 0,25 als bedoeld in bijlage C1 bij het Bpb moet worden toegepast. Voor toepassing van een wegingsfactor is immers het gewicht van de onderliggende zaak van belang en niet, zoals verweerder kennelijk meent, de inhoud van het ingediende verzoekschrift. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient aan de onderhavige zaak een gemiddeld gewicht te worden toegekend. Gelet op bijlage C1 bij het Bpb worden de door verweerder te vergoeden kosten derhalve begroot op 1 (verzoekschrift) x 1 (gewicht) x € 322,-- = € 322,--.
Met toepassing van artikel 19 van Pro de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto de artikelen 8:54 en 8:84 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb toe;
- veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs
heeft moeten maken, welke kosten worden vastgesteld op € 322,-- (zegge: driehonderd twee-en-twintig euro);
- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2002.
w.g. C.M. Wolters w.g. M.S. Hoppener