ECLI:NL:CBB:2002:AE7535
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- C.M. Wolters
- M.A. van der Ham
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onder toezicht plaatsing bedrijf na aantreffen verboden stoffen in varkens
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw waarbij zijn bedrijf onder officieel toezicht werd geplaatst na het aantreffen van residuen van clenbuterol, een verboden stof, in een monster van een varken afkomstig van zijn bedrijf. Appellant voerde aan dat de onder toezicht plaatsing onzorgvuldig en in strijd met het vertrouwensbeginsel was, mede vanwege de vertraging tussen monstername en oplegging en de duur van de maatregel.
Het College overwoog dat artikel 4 van Pro de Regeling en artikelen 13 en 17 van Richtlijn 96/23/EG duidelijk voorschrijven dat bij aantreffen van niet-toegestane stoffen een bedrijf onder toezicht moet worden geplaatst. Het tijdsverloop tussen monsteruitslag en maatregel deed hieraan niet af, en aanvullend onderzoek op het bedrijf was niet vereist. De aanwezigheid van clenbuterol in een varken was voldoende grond voor de maatregel.
Verder oordeelde het College dat de duur van de onder toezicht plaatsing niet in het bestreden besluit was geregeld en dat de weigering van schadeloosstelling terecht was, aangezien de maatregel rechtmatig was genomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de onder toezicht plaatsing van zijn bedrijf wegens residuen van clenbuterol wordt ongegrond verklaard.