2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellant heeft met gebruikmaking van de daarvoor bestemde formulieren op 20 mei 1994, 29 maart 1995, 4 april 1996 en 9 april 1997 steun aangevraagd op grond van respectievelijk de Beschikking steunverlening producenten akkerbouwgewassen 1992 (hierna: de Beschikking) en de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling). Deze aanvragen betroffen steeds dezelfde percelen, waarop volgens de opgaven ieder jaar in totaal 7.50 hectare maïs werd verbouwd.
- De in de vier aanvragen vermelde totale oppervlakte van 7.50 hectare, beteeld met akkerbouwgewassen, bestaat voor 6.95 hectare uit gronden die appellant op grond van een daartoe op 22 maart 1994 gesloten overeenkomst in gebruik heeft gekregen van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek, dat deze gronden op zijn beurt heeft verkregen van (de inmiddels overleden) D. Sinds 1995 pacht appellant deze gronden.
- Naar aanleiding van bovengenoemde aanvragen heeft verweerder appellant bij besluiten van 9 januari 1995 (waarbij bij besluit van 8 oktober 1994 de bijdrage reeds gedeeltelijk was toegekend) , 17 oktober 1995, 15 november 1996 en
11 november 1997 een bijdrage toegekend op grond van de Beschikking respectievelijk de Regeling van respectievelijk fl. 4.950,68, fl. 6.365,40, fl. 6364, 40 en fl. 6.356,48.
- Op 14 september 1995 heeft de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: AID) met betrekking tot de aanvraag van appellant van 29 maart 1995 een controle op het bedrijf van appellant uitgevoerd, waarbij geen afwijkingen zijn vastgesteld van de teelten in relatie tot de gegevens op de aanvraag en/of in de boekhouding gewassen. In het rapport met betrekking tot deze controle wordt nog opgemerkt dat de intekening door appellant op de bij de aanvraag behorende kaart met betrekking tot één maïsperceel niet geheel correct is, nu dit perceel iets te groot is ingetekend. Blijkens de aanvraag betreft dit het perceel dat eigendom van appellant is.
- Op 1 december 1997 heeft de AID met betrekking tot de aanvraag van appellant van 9 april 1997 een controle op het bedrijf van appellant uitgevoerd, naar aanleiding waarvan een rapport met kenmerk 1518/97/0382 is opgesteld (hierna: het AID-rapport). In dit rapport staat vermeld dat appellant voor drie percelen van in totaal 7.50 hectare een bijdrage heeft aangevraagd op grond van de Regeling, waarbij het op de aanvraag onder volgnummer 1 vermelde perceel (groot 0,55 hectare) niet aan de voorwaarden voldoet omdat op dit perceel de bedrijfsgebouwen zijn gevestigd.
In dit rapport staat voorts vermeld dat de overige opgegeven percelen (volgnummers 2 en 3 op de aanvraag met een totale oppervlakte van 6.95 hectare) de gronden betreffen die appellant in gebruik heeft van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek.
Het rapport concludeert dat de laatstgenoemde gronden niet aan de definitie akkerland in de zin van de regeling voldoen, omdat D, die deze gronden in het verleden aan het Streekgewest Westelijke Mijnstreek heeft verkocht, op 26 november 1992 hiervoor een aanvraag heeft ingediend op grond van de Uitvoeringsregeling EEG-rooipremie appelbomen 1990. Uit deze aanvraag moet naar het oordeel van de AID worden afgeleid dat de betreffende gronden gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 permanent in gebruik zijn geweest voor blijvende teelten, omdat er vóór het tijdstip van indiening van een dergelijke aanvraag niet met het rooien mag zijn begonnen, indien men in aanmerking wil komen voor een premie.
- Bij besluit van 27 januari 1998 heeft verweerder zijn besluit van 11 november 1997 ingetrokken, de aanvraag van appellant van 9 april 1997 alsnog afgewezen en het op grond van deze aanvraag reeds uitbetaalde bedrag van fl. 6.356,48 teruggevorderd.
- Bij drie afzonderlijke besluiten van 5 februari 1998 heeft verweerder zijn besluiten van 8 oktober 1994, 9 januari 1995, 17 oktober 1995 en 15 november 1996 eveneens ingetrokken, de aanvragen van appellant van 20 mei 1994, 29 maart 1995 en
4 april 1996 alsnog afgewezen en de op grond van deze aanvragen reeds uitbetaalde bedragen van respectievelijk fl. 4.950,68, fl. 6.365,40 en fl. 6364,40 teruggevorderd.
- Bij brief van 17 februari 1998 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 27 januari 1998 en de drie besluiten van 5 februari 1998.
- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.
- Het eerste onderzoek ter zitting door het College heeft plaatsgevonden op 14 februari 2001. Aldaar is die dag door het College op verzoek van appellant als getuige gehoord E, broer van de overleden D, die hierbij onder meer heeft verklaard dat op het gehele perceel dat door D aan het Streekgewest Westelijke Mijnstreek is verkocht ten tijde van deze verkoop appelbomen stonden, zij het dat twee kleinere onderdelen van dit perceel pas in februari 1987 door zijn broer zijn verkregen en dat deze stukjes grond pas in het voorjaar van 1988 zijn beplant met appelbomen. Vermoedelijk zijn alle bomen in 1992 of 1993 gerooid, doch in ieder geval direct na de verkoop van de gronden.