ECLI:NL:CBB:2002:AE6561
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten weigering energie-investeringsverklaring wegens onjuiste feitelijke grondslag
Appellanten, exploitanten van een tuinbouwbedrijf, vroegen om energie-investeringsverklaringen voor een warmtekrachtinstallatie. De Minister van Economische Zaken weigerde deze verklaringen omdat de investeringsverplichting volgens hem op 10 juli 2000 was aangegaan, terwijl de melding pas op 11 oktober 2000 binnenkwam, na de gestelde termijn van drie maanden.
Appellanten stelden dat de verplichting pas op 12 juli 2000 was aangegaan en boden een schriftelijke verklaring van een getuige, een accountmanager van de leverancier ABB B.V., die bevestigde dat de opdracht pas op 12 juli 2000 mondeling was gegeven en schriftelijk bevestigd. De Minister bleef bij zijn standpunt dat de verplichting op 10 juli 2000 was aangegaan, mede gelet op de opdrachtbevestiging en eerdere telefoongesprekken.
Het College van Beroep oordeelde dat de kwestie een feitelijke aard heeft en dat de getuigenverklaring en overige stukken samen de overtuiging geven dat de investeringsverplichting op 12 juli 2000 is aangegaan. De besluiten van de Minister berusten daarom op een onjuiste feitelijke grondslag en worden vernietigd. De Minister moet opnieuw beslissen op de bezwaren. Tevens worden appellanten in de proceskosten en griffierechten schadeloos gesteld.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd en de Minister moet opnieuw beslissen op de bezwaren met inachtneming van de juiste datum van investeringsverplichting.