Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2002:AE5923

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
26 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/320
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • D. Roemers
  • C.M. Wolters
  • M.J. Kuiper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbArt. 1:2 AwbArt. 22 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot partijstelling in bestuursrechtelijk geschil over vergoedingen toezicht mobiele netwerken

Vodafone Libertel verzocht het College van Beroep voor het bedrijfsleven om als partij te worden toegelaten in een hoger beroepsprocedure tussen KPN en de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) over vergoedingen voor toezicht op het mobiele netwerk in 1999.

Het verzoek werd gedaan op grond van artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij Vodafone Libertel stelde dat de uitkomst van het hoger beroep ook beslissend zou zijn voor haar eigen procedures tegen vergelijkbare vergoedingen.

Het College overwoog dat Vodafone Libertel niet als belanghebbende kon worden aangemerkt omdat de vergoedingen en de beslissing op bezwaar uitsluitend aan KPN waren gericht en niet aan Vodafone Libertel. Het verzoek om partijstelling werd daarom afgewezen.

Het College wees tevens op het feit dat het verzoek om samenvoeging van procedures of aanhouding van de zaak niet aan de orde was in deze fase.

Uitkomst: Het verzoek van Vodafone Libertel om als partij te worden toegelaten in het hoger beroep werd afgewezen.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 02/320 26 februari 2002
15300
Beslissing op het verzoek ingevolge artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van:
Vodafone Libertel N.V., te Maastricht, verzoekster,
gemachtigde: mr L.S. Frakes, advocaat te Amsterdam,
in de zaak van:
de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, te 's-Gravenhage,
gemachtigde: mr R. Snel, advocaat te 's-Gravenhage,
appellante tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 27 december 2001, no. TELEC 00/1312-SIMO, in het geding tussen
1. Koninklijke KPN N.V. te 's-Gravenhage (hierna: KPN),
2. KPN Mobile The Netherlands B.V., te 's-Gravenhage (hierna: KPN Mobile),
gemachtigde: mr H.J. de Ru, advocaat te Amsterdam,
tegen
de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit.
Overwegingen met betrekking tot het verzoek
Op 7 februari 2002 is ter griffie van het College een beroepschrift ingekomen van appellante tegen bovenvermelde uitspraak van rechtbank Rotterdam. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank gegrond verklaard het beroep van KPN en KPN Mobile, ingesteld tegen
het besluit van appellante van 12 mei 2000, houdende de beslissing op bezwaar van KPN en KPN Telecom B.V. inzake het aan KPN in rekening brengen van een vergoeding voor het toezicht in 1999 op het openbare mobiele netwerk van KPN Telecom en voor het toezicht in 1999 op de openbare mobiele dienst.
Bij brief van 8 februari 2002 heeft verzoekster het College ingevolge artikel 8:26 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.
Ingevolge het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan het College tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.
Ter beoordeling staat thans derhalve de vraag of verzoekster in het onderwerpelijke geding als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb. Verzoekster heeft in dit verband naar voren gebracht dat zij bij rechtbank Rotterdam beroep heeft ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op haar bij appellante ingediende bezwaren inzake gelijksoortige vergoedingen als door KPN en KPN Mobile bestreden. Zij verwacht dat de beslissing op het onderwerpelijke hoger beroep beslissend zal zijn voor de door haar gevoerde procedures inzake de haar in rekening gebrachte vergoedingen en zij acht het in het belang van een evenwichtige rechtsbescherming dat zij deelneemt aan het onderwerpelijke geding, dan wel dat de behandeling ervan wordt aangehouden om deze uiteindelijk gevoegd te kunnen laten plaatsvinden met het door haar bij het College in te stellen hoger beroep tegen de nog te wijzen uitspraak van de rechtbank op haar beroep aldaar.
Het College ziet in het door verzoekster gestelde belang evenwijdig aan dat van KPN en KPN Mobile geen aanleiding haar op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als belanghebbende toe te laten tot het onderwerpelijke geding. De in dit geding aan de orde zijnde vergoedingen zijn niet aan verzoekster, doch aan KPN in rekening gebracht, gelijk de beslissing op bezwaar niet aan haar doch aan de laatste is gericht; haar belang is derhalve niet rechtstreeks bij deze besluiten betrokken.
Ten overvloede zij opgemerkt dat een beslissing over een het al dan niet ter behandeling voegen van de onderwerpelijke zaak met een mogelijk door verzoekster tegen een nog te nemen uitspraak in te stellen beroep thans niet aan de orde is.
Gelet op het vorenoverwogene dient het verzoek te worden afgewezen.
Beslissing:
Het College wijst af het verzoek van verzoekster om als partij aan het geding deel te nemen.
Aldus gegeven op 26 februari 2002 door mr D. Roemers, mr C.M. Wolters en mr M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid
van R. van Cuilenborg, als griffier.
w.g. D. Roemers w.g. R. van Cuilenborg