ECLI:NL:CBB:2002:AD9973
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- D. Roemers
- C.M. Wolters
- W.E. Doolaard
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van doorberekening restcomponent kosten in leveringstarieven elektriciteit 2000
In deze zaak hebben meerdere energiebedrijven beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Economische Zaken waarin de tarieven voor levering van elektriciteit aan beschermde afnemers in 2000 werden vastgesteld. De kern van het geschil betreft de vraag of de kosten die voortvloeien uit de nacalculatie van de restcomponent, zoals vastgelegd in het Protocol tussen elektriciteitsproducenten en distributiebedrijven, als een exogene kostenstijging buiten de invloedssfeer van de vergunninghouders moeten worden beschouwd en dus in de leveringstarieven voor 2000 moeten worden doorberekend.
Het Protocol, gesloten in 1997, verplichtte distributiebedrijven een gezamenlijke omzet te realiseren ter dekking van vaste kosten van elektriciteitsproductie, met nacalculatie van over- en onderdekking. Door import van elektriciteit ontstond in 2000 een restcomponent die hogere kosten per eenheid elektriciteit veroorzaakte voor individuele distributiebedrijven. Appellanten stelden dat deze kosten buiten hun invloedssfeer lagen en derhalve exogene kostenstijgingen vormden die doorberekend moesten worden.
Het College oordeelt dat de restcomponentkosten niet buiten de invloedssfeer van de vergunninghouders liggen, omdat zij gezamenlijk de importcapaciteit en het Protocol konden beïnvloeden. Bovendien was de liberalisering van de elektriciteitsmarkt en de mogelijkheid tot import voorzienbaar. Het Protocol was bindend en de kosten werden niet als structureel aangemerkt. De minister heeft derhalve terecht besloten deze kosten niet in de leveringstarieven door te berekenen. De beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het College verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de restcomponentkosten niet in de leveringstarieven elektriciteit 2000 worden doorberekend.