5. De beoordeling
5.1 De middelen van beroep kunnen gezamenlijk worden besproken.
Artikel 11, eerste lid, eerste volzin, van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (GBR-1994) bepaalt dat de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid doet voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen. Zoals het College al eerder heeft beslist onder andere in zijn uitspraak van 24 oktober 2000, zaaknummer AWB 99/686 mag een accountant in bepaalde gevallen, afhankelijk van de aard van een uit te brengen rapportage, de aan die rapportage ten grondslag te leggen gegevens niet beperken tot de van zijn opdrachtgever ontvangen stukken, maar moet hij tenminste nagaan of er meer en andere bescheiden zijn, waartoe hij zich met derden dient te verstaan.
In het onderhavige geval heeft appellant op verzoek van klaagsters echtgenoot berekeningen opgesteld ter bepaling van de gevolgen van een verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden. In zijn brief van 13 juni 1996 aan deze echtgenoot, heeft appellant weliswaar vermeld dat de cijfers van de vrouw niet bekend zijn, maar heeft hij niettemin geconcludeerd dat de man alleen al over het tijdvak 1990 tot en met 1995 een vordering heeft op de vrouw van ± fl. 83.000,-- Met de raad van tucht is het College van oordeel dat deze brief een deugdelijke grondslag ontbeert. Als de brief aldus moet worden opgevat, dat de nog onbekende cijfers van de vrouw in het geheel niet ter zake doen, omdat de man in alle gevallen een vordering van ±
fl. 83.000,-- op de vrouw heeft, dan vindt een dergelijke conclusie geen grondslag in de huwelijkse voorwaarden, die immers onder meer voorschrijven dat jaarlijks wordt verrekend, zodat nog onbekende gegevens van de vrouw wel degelijk van belang zijn. Als de brief daarentegen aldus moet worden opgevat dat die cijfers wel ter zake doen, maar niet zullen leiden tot een wijziging van het bedrag van fl. 83.000,-- dan kan die conclusie alleen haar grondslag vinden in een onderzoek waarbij de vrouw daadwerkelijk in de gelegenheid is gesteld om haar mening daaromtrent te geven. En als, tenslotte, de brief aldus moet worden opgevat dat het bedrag van ± fl. 83.000,-- nog slechts op een voorlopige berekening berust en dat het definitieve bedrag kan worden bijgesteld indien meer of andere gegevens van de vrouw bekend worden, dan had dit (veel) duidelijker in de tekst van de brief tot uitdrukking moeten komen.
Aangezien geoordeeld moet worden dat de brief van 13 juni 1996 een deugdelijke grondslag ontbeert, alsmede dat de mededelingen in de brief zo al niet innerlijk tegenstrijdig, dan toch zeer onduidelijk en voor misverstanden vatbaar zijn, waarvan appellant een verwijt kan worden gemaakt, acht het College de opgelegde maatregel van een schriftelijke waarschuwing passend en geboden.
De conclusie is dat de middelen geen doel treffen, zodat het beroep moet worden verworpen.
5.2 Klaagster heeft verzocht haar een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Aangezien de Wet op de registeraccountants hier niet in voorziet, komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking.