ECLI:NL:CBB:2001:AB3260
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens opschorting betalingsverplichting
Verzoekster, Maatschap A, werd door de minister van Landbouw geconfronteerd met een kostenbesluit van fl. 117.770,50 voor onderzoekskosten van onder toezicht geplaatste runderen. Verzoekster diende een bezwaarschrift in en vroeg tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om de betalingsverplichting op te schorten totdat het beroepschrift definitief zou zijn beslist.
De minister berichtte dat hij niet zou overgaan tot invordering zolang de rechtmatigheid van het besluit niet definitief was vastgesteld. Verzoekster trok daarop haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding. De minister weigerde deze vergoeding omdat hij van mening was dat er geen spoedeisend belang was en dat de invordering via de civiele rechter zou moeten verlopen.
De president van het College oordeelde dat de minister door zijn toezegging de betalingsverplichting op te schorten, aan verzoekster was tegemoetgekomen. Hierdoor was het intrekken van het verzoek om voorlopige voorziening gerechtvaardigd. Op grond hiervan wees de president het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van fl. 710,- aan verzoekster.
De uitspraak werd gedaan op 27 juli 2001 door president R.R. Winter, en is een toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekster kan binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De minister van Landbouw wordt veroordeeld tot vergoeding van fl. 710,- aan proceskosten aan verzoekster.