ECLI:NL:CBB:2001:AB1508
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen doding van gevaccineerde evenhoevigen in MKZ-bestrijding
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen besluiten van de Minister van Landbouw en de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees waarbij hun evenhoevige dieren werden aangemerkt als verdacht van mond- en klauwzeer (MKZ) en gedood moesten worden na vaccinatie. Verzoekers stelden dat gevaccineerde dieren niet als dragers van het virus kunnen worden aangemerkt en dat het doden van deze dieren niet noodzakelijk is.
Ter zitting werden deskundigen gehoord die uiteenlopende standpunten innamen over het risico dat gevaccineerde dieren het virus kunnen verspreiden. Verzoekers voerden aan dat het veterinaire belang bij doding ontbreekt en verwezen naar epidemiologische en veterinaire argumenten. Verweerder stelde dat het risico op verspreiding door gevaccineerde dragers niet kan worden uitgesloten en dat suppressieve vaccinatie met doding noodzakelijk is om verspreiding te voorkomen en exportbelangen te beschermen.
De president oordeelde dat het beoordelen van veterinaire risico's primair tot de bevoegdheid van verweerder behoort en dat het door verzoekers aangevoerde bewijs onvoldoende overtuigend was om het beleid van verweerder te ondermijnen. Ook het verstrijken van de 21-dagen termijn na verdachtverklaring maakte het besluit niet ongeldig. De verzoeken om voorlopige voorziening werden daarom afgewezen.
De uitspraak bevestigt de ruime discretionaire bevoegdheid van de overheid bij het treffen van maatregelen ter bestrijding van besmettelijke dierziekten en benadrukt het belang van het voorkomen van verspreiding, ook als dat betekent dat gevaccineerde dieren gedood moeten worden.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen de besluiten tot doding van gevaccineerde evenhoevige dieren worden afgewezen.