5.6 Hiervan uitgaande is het College van oordeel dat de klachten van appellant, voor zover die betrekking hebben op de samenstelling van de jaarrekeningen 1993, 1994, 1995 en 1996, ongegrond zijn. Dit geldt dus in het bijzonder ook de klachten over het opnemen in de jaarrekeningen van andere maten dan de B.V. en F, de toerekening van de huur van de praktijkruimten, de beloningen voor F, de representatiekosten in 1995, het salaris van G en betalingen aan en voor H.
5.7 Ten aanzien van de klachten over de declaraties heeft de raad van tucht overwogen dat onvoldoende kenbaar is welke gedraging betrokkene wordt verweten die in strijd met de gedragsregels is. In beroep heeft appellant dit evenmin verduidelijkt. Zoals het College al eerder heeft uitgemaakt (uitspraak van 23 december 1999, AWB 98/138 en 151) kan over de hoogte van declaraties alleen met vrucht kan worden geklaagd, indien betrokkene bij het opstellen en indienen van declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid heeft gehandeld, dat daardoor de eer van de stand van de accountants-administratieconsulenten is geschaad of anderszins is gehandeld in strijd met de GBAA. Weliswaar heeft appellant in de procedure bij de raad van tucht een grote hoeveelheid bescheiden inzake verrichtingen van betrokkene en door hem in rekening gebrachte bedragen naar voren gebracht, doch het College is niet tot het oordeel kunnen komen dat de door appellant gewraakte handelwijze van betrokkene, afgemeten aan voormelde maatstaf, als laakbaar in tuchtrechtelijke zin kan worden aangemerkt. Nu appellant over de declaraties een aparte procedure bij de Kamer van Geschillen aanhangig had gemaakt en zijn klachten aldus had gesplitst, hoefde de raad van tucht hier niet nader op in te gaan. Datzelfde geldt met betrekking tot de met de declaraties samenhangende klachten over het weigeren om dossierstukken over te dragen of informatie te verschaffen.
5.8 Resteert de klacht dat betrokkene verstek heeft laten gaan bij de mondelinge behandeling van een door hem namens appellant ingediend beroepschrift bij de Belastingkamer van het Gerechtshof te Arnhem.
Betrokkene heeft bij de raad van tucht ter verweer aangevoerd dat hij, nadat hij het beroep had ingesteld er een geschil omtrent de declaraties was ontstaan, waarna hij alle dossiers, waaronder ook dit betreffende dossier, aan Bureau X heeft overgedragen, daarbij in de veronderstelling verkerend dat, gelet op de verstoorde verhoudingen tussen appellant en betrokkene, X de belastingprocedure verder zou behandelen. Ter zitting van het College heeft betrokkene voorts te kennen gegeven dat, zo hij de oproeping voor de zitting bij de Belastingkamer al zelf heeft ontvangen, hij deze aan X zal hebben doorgestuurd.
Het College overweegt dienaangaande dat de door een accountant-administratieconsulent die de opdracht heeft aanvaard in een gerechtelijke procedure als gemachtigde op te treden, in deze hoedanigheid te betrachten zorgvuldigheid met zich brengt
- dat indien hij de volmacht wil opzeggen, hij zulks duidelijk en ondubbelzinnig aan de volmachtgever te kennen geeft, alsmede
- dat indien hij na de opzegging van de volmacht, respectievelijk na het tijdstip waarop hij de volmacht beëindigd achtte, stukken ontvangt van de betrokken gerechtelijke instantie, hij zorg draagt (-) voor een correcte doorzending van die stukken aan bedoelde volmachtgever, zulks waar nodig onder vermelding van de beëindiging van de volmachtrelatie, alsmede indien nodig (-) voor het verwittigen van deze instantie van deze beëindiging.
Het laatste is vooral van belang, indien de betrokkene in zijn hoedanigheid van gemachtigde een oproeping van de gerechtelijke instantie ontvangt voor een zitting.
Uit de omstandigheid dat betrokkene in de uitspraak van de Belastingkamer nog steeds als gemachtigde van appellant staat vermeld kan worden afgeleid dat hij zich niet voldoende duidelijk en tijdig als gemachtigde heeft teruggetrokken. Voorts moet het betrokkene duidelijk zijn geweest toen hij de oproeping van de Belastingkamer ontving, dat hij bij die instantie nog steeds als gemachtigde van appellant stond aangemerkt. Betrokkene heeft evenwel niet gesteld noch is gebleken dat hij deze oproeping aan appellant of aan X heeft doorgestuurd met de uitdrukkelijke mededeling dat hij niet ter zitting zou verschijnen en dat appellant zelf maatregelen terzake zou moeten treffen. Evenmin heeft betrokkene, naar moet worden aangenomen, de Belastingkamer verwittigd van de beëindiging van zijn werkzaamheden als gemachtigde van appellant.