ECLI:NL:CBB:2001:AB1470
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen doding verdachte dieren bij mond- en klauwzeer
Verzoekers, eigenaren van een melkveehouderij, maakten bezwaar tegen het besluit van de minister van Landbouw om alle evenhoevigen op hun bedrijf te vaccineren tegen mond- en klauwzeer (mkz) en vervolgens te doden. De minister baseerde dit besluit op Europese richtlijnen en nationale wetgeving ter bestrijding van mkz, waarbij ook suppressieve vaccinatie en preventieve doding werden toegepast in de regio Oene.
Verzoekers betoogden dat het doden van de dieren niet noodzakelijk was voor de bestrijding van mkz, mede omdat gevaccineerde dragers minder smetstof uitscheiden en het wild in de nabijheid van het bedrijf mogelijk besmet was. Tevens stelden zij dat de maatregelen onevenredig waren en het eigendomsrecht schonden zonder adequate schadevergoeding.
De president van het College oordeelde dat de veterinaire risico's en de noodzaak van de maatregelen primair aan verweerder toekomen en dat verzoekers onvoldoende overtuigend hadden aangetoond dat het beleid onredelijk was. Ook werd geoordeeld dat de maatregelen in het algemeen belang waren genomen en voorzien waren in de wet. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot vaccinatie en doding van verdachte dieren wordt afgewezen.