ECLI:NL:CBB:2001:AB1469
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen doding van gevaccineerde dieren wegens mond- en klauwzeer
Verzoekster, een veehouder, maakte bezwaar tegen het besluit van de minister om alle evenhoevigen op haar bedrijf te vaccineren tegen mond- en klauwzeer en vervolgens te doden. De minister had besloten tot deze maatregelen vanwege de uitbraak van de ziekte in de regio Oene en de dreiging van verdere verspreiding.
Het geschil betrof vooral de vraag of de dieren op het bedrijf van verzoekster nog als verdacht konden worden aangemerkt en of het besluit tot doding van deze dieren gerechtvaardigd was. Verzoekster stelde dat de verdenkingstermijn van 21 dagen was verstreken en dat de dieren inmiddels voldoende immuniteit hadden opgebouwd.
De president van het College oordeelde dat de beoordeling van veterinaire risico's primair aan de minister toekomt en dat het verzoek niet overtuigend aantoonde dat het beleid onredelijk was. Ook werd geoordeeld dat het besluit tot doding niet automatisch vervalt na het verstrijken van de verdenkingstermijn. Gezien de ernst van de situatie en de veedichtheid in de regio was het besluit tot vaccinatie en doding niet kennelijk onredelijk.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot vaccinatie en doding van verdachte dieren wordt afgewezen.