ECLI:NL:CBB:2001:AB1352
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- B. Verwayen
- M.J. Kuiper
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing vaccinatieverbod mond- en klauwzeer tegen dierenwelzijn en proportionaliteit
Appellanten, waaronder een particuliere dierhouder en dierenbeschermingsverenigingen, verzochten ontheffing van het verbod op vaccinatie tegen mond- en klauwzeer. Dit verbod is gebaseerd op Richtlijn 85/511/EEG en bijbehorende besluiten van de Europese Commissie, die noodvaccinatie slechts onder strikte voorwaarden toestaan. Het College constateerde dat verweerder niet tijdig op het verzoek had beslist, waardoor een fictieve weigering ontstond.
De kern van het geschil betreft de vraag of het vaccinatieverbod in strijd is met artikel 3 van Pro de Europese Overeenkomst tot bescherming van landbouwhuisdieren, dat dierenwelzijn waarborgt, en met een algemeen communautair rechtsbeginsel dat dieren beschermt tegen onnodig leed. Het College oordeelt dat artikel 3 van Pro de Overeenkomst geen directe toetsingsmaatstaf vormt en dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie nodig zijn om de geldigheid van het verbod en de toepassing ervan door de Commissie te beoordelen.
Daarnaast onderzoekt het College de proportionaliteit van het verbod, mede gezien de omvangrijke uitbraak van mond- en klauwzeer en de gevolgen van het verbod voor dierenwelzijn, veehouderij en handel. Het College benadrukt dat het vaccinatieverbod leidt tot grootschalige doding van dieren en dat de Commissie voorwaarden stelt die verder gaan dan de richtlijn voorschrijft. Gezien de urgentie van de situatie en de belangen van alle partijen verzoekt het College het Hof om spoedige beantwoording van de prejudiciële vragen.
Uitkomst: Het College stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de geldigheid en proportionaliteit van het vaccinatieverbod en houdt de zaak aan.