AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing subsidieaanvraag wegens onvoldoende financieringszekerheid onder tendersysteem
In deze zaak heeft IntersuranceNet B.V. beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie voor de ontwikkeling van een branche management systeem voor het verzekeringsbedrijf. De aanvraag werd afgewezen op basis van een negatief advies van de Adviescommissie elektronische diensten, die vrees had dat het project niet gefinancierd kon worden vanwege onvoldoende eigen vermogen en gebrek aan onderbouwing van de financiering.
De aanvraag omvatte een project met totale ontwikkelkosten van circa 20 miljoen gulden, terwijl de balans van appellante slechts 40.000 gulden eigen vermogen toonde. Hoewel sprake was van een achtergestelde lening van een softwareleverancier, werden geen concrete bewijsstukken of leningsovereenkomsten overgelegd. Verweerder handhaafde de afwijzing omdat het tenderprincipe vereist dat aanvragen volledig en tijdig worden ingediend zonder latere aanvulling.
Het College oordeelt dat het besluit van verweerder rechtmatig is en dat het advies van de commissie zorgvuldig tot stand is gekomen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een volledige aanvraag in te dienen en verweerder hoeft geen uitvoeriger onderzoek te verrichten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
No.AWB 00/24 3 april 2001
27300
Uitspraak in de zaak van:
IntersuranceNet B.V., te Heerlen, appellante,
gemachtigde: A, directeur van appellante,
tegen
de Minister van Economische Zaken, verweerder,
gemachtigde: R.Volkers, ir M. van Hattum en mr drs M. Sprey, allen werkzaam bij Senter.
1. De procedure
Op 5 januari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij
beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 december 1999.
Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellante had ingediend
tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op grond van het Besluit kredieten
elektronische-dienstenontwikkeling (hierna: het Besluit).
Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder
dagtekening 13 april 2000 een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft het College met het oog op de zitting op 11 augustus 2000 haar pleitnota
doen toekomen en daarbij meegezonden een aan haar gerichte brief d.d. 24 juni 1998 van
ICL Enterprises B.V. te Maarssen (hierna: ICL).
Op 20 februari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid
hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten.
2. De grondslag van het geschil
2.1 Krachtens artikel 2, eerste lid, van het Besluit verstrekt verweerder op aanvraag een
subsidie in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico
een ontwikkelingsproject, als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit
uitvoert.
Artikel 5, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat er een adviescommissie electronische
diensten (hierna: commissie) is, die tot taak heeft verweerder op zijn verzoek te adviseren
omtrent aanvragen om een krediet op grond van het Besluit.
Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Besluit beslist verweerder in ieder geval
afwijzend op een aanvraag, indien de aanvraag niet voldoet aan het Besluit en de daarop
berustende bepalingen.
In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, is bepaald dat de commissie verweerder in
ieder geval een negatief advies geeft, indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene het
project niet kan financieren.
In het derde lid van artikel 10 isPro een regeling gegeven aangaande de rangschikking door de
commissie van aanvragen waarover zij positief adviseert.
Krachtens artikel 11, eerste lid, verdeelt verweerder het beschikbare bedrag in volgorde van
rangschikking van de aanvragen door de commissie.
Verweerder kan ingevolge het tweede lid van dat artikel afwijken van het eerste lid, indien
een advies van de commissie in strijd is met het Besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze
tot stand is gekomen.
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten
en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellante heeft bij brief van 19 mei 1999 bij verweerder op grond van het Besluit
een aanvraag om subsidie ingediend en daarbij als korte omschrijving van de
activiteiten vermeld: het ontwikkelen en exploiteren van een branche management
systeem voor het verzekeringsbedrijf met de onderdelen (1) informatie en (2)
communicatie.
- Op het aanvraagformulier is als korte samenvatting van het project vermeld:
" Dit project betreft de ontwikkeling van het onderdeel "communicatie"(.).
Dat regelt op de meest effici‰nte wijze de informatie, communicatie en
afhandeling tussen consumenten, tussenpersonen, ondertekenaars,
deskundigen, dienstverleners en instanties op dit gebied. IntersuranceNet
administreert alle aanbieders in de markt en al hun producten en diensten.
Consumenten kunnen die bekijken en vergelijken en dan zaken doen met wie
men wil. Hiervoor bestaat veel belangstelling bij consumenten. Aanbieders
hebben dus groot belang hier gebruik van te maken. Speciaal de
gevolmachtigden zullen als ondertekenaars namens maatschappijen optreden."
- Bij genoemde aanvraag was onder meer gevoegd een 38 pagina's tellend
ondernemingsplan, waarin onder andere een beschrijving was gegeven van de
achtergrond, het doel, de uitvoering en de kostenbegroting van het plan.
- In het kader van het vergaren van de voor de behandeling van de aanvraag benodigde
gegevens is namens verweerder bij brief van 22 juni 1999 verzocht om toezending
van de openingsbalans.
- Appellante heeft dit stuk bij schrijven van 24 juni 1999 aan verweerder doen
toekomen.
- Bij brief van 28 juni 1999 heeft verweerder aan appellante een zogenoemde
Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2001.