Het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit (AZVU) stelde beroep in tegen het besluit van het College tarieven gezondheidszorg (CTG) om de kosten van allogene beenmergtransplantaties niet te honoreren omdat het ziekenhuis hiervoor geen vergunning had. De beleidsregel functiegerichte budgettering academische ziekenhuizen 1999, goedgekeurd door de Minister van VWS, vereist expliciete vergunning voor deze functie in de erkenningsbeschikking ultimo 1995.
Het geschil spitste zich toe op de uitleg van de erkenningsbeschikking en de toepasselijkheid van de beleidsregel. AZVU stelde dat het ontbreken van een verbod op allogene beenmergtransplantaties op grond van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (WBMV) betekent dat zij vrij waren om deze uit te voeren en dat de beleidsregel onjuist en onverbindend was. Verweerder handhaafde de beleidsregel en wees op het belang van het stelsel van erkenningen en vergunningen.
Het College oordeelde dat beslissingen over functies binnen ziekenhuizen behoren tot andere wettelijke regelingen dan de Wet tarieven gezondheidszorg en dat de beleidsregel een redelijke invulling is van de bevoegdheidsverdeling. De erkenningsbeschikking ultimo 1995 verleende alleen vergunning voor autologe beenmergtransplantaties. Het ontbreken van een vergunning voor allogene bmt's betekent dat deze functie niet in het budget kan worden verwerkt.
Hoewel het College begrip toonde voor de langdurige besluitvorming rond de WBMV-regelgeving, vond het geen aanleiding om van de beleidsregel af te wijken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit tegen het besluit van het College tarieven gezondheidszorg wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 00/465 13 maart 2001
13710
Uitspraak in de zaak van:
Het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit, te Amsterdam, appellant,
gemachtigde: mr M.R. Oranje, advocaat te Amsterdam,
tegen
het College tarieven gezondheidszorg, voorheen het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg, te Utrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te 's- Gravenhage.
1. De procedure
Op 5 juni 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit
van verweerder van 1 mei 2000.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellant tegen de op
31 mei 1999 verzonden tariefbeschikking met het nummer 020-1301-99-4.
Bij brief van 7 november 2000 heeft appellant de gronden voor het beroep uiteengezet.
Op 15 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 18 januari 2001 heeft verweerder een drietal aanvullende producties bij het verweerschrift toegezonden.
Bij brief van 19 januari 2001 heeft appellant een aanvullende productie toegezonden.
Op 30 januari 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun
standpunten nader hebben toegelicht. Namens appellant zijn voorts ter zitting verschenen professor dr. P.C. Huijgens en drs L.
Overbeek.
2. De grondslag van het geschil
2.1 De toepasselijke regels.
Ingevolge artikel 8a van de Ziekenfondswet, zoals dat luidde tot 1 april 1996, diende een instelling die verstrekkingen verleent,
als zodanig erkend te zijn. Ingevolge artikel 8d kon een erkenning onder beperkende voorwaarden worden verleend en konden
aan een erkenning voorschriften worden verbonden. Artikel 8g bepaalde vervolgens dat handelen in strijd met die beperkingen
of voorschriften kon leiden tot intrekking van de erkenning.
Ingevolge artikel 18 vanPro de Wet ziekenhuisvoorzieningen (hierna: WZV), zoals dat gold per ultimo 1995 tot 14 november
1997, kon:
" bij algemene maatregel van bestuur, indien gewichtige belangen daatoe aanleiding geven, worden bepaald dat het
verboden is zonder vergunning van onze Minister verrichtingen van een bij de maatregel aangegeven aard uit te
voeren of te doen uitvoeren in een ziekenhuisvoorziening."
Bij de inwerkingtreding op 14 november 1997 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen (hierna: WBMV) is artikel 2
van de WBMV in de plaats getreden van genoemd artikel 18 WZVPro.