Verzoeksters, bestaande uit drie verenigingen uit de energiesector, hebben bij de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen het besluit van 16 november 2000 van de Directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie. Dit besluit regelt de voorwaarden voor de toewijzing van transportcapaciteit op landsgrensoverschrijdende elektriciteitsverbindingen voor 2001, inclusief een reservering ten behoeve van SEP op grond van oude importcontracten.
Verzoeksters betoogden dat deze reservering strijdig is met het gemeenschapsrecht en de Elektriciteitswet 1998, en dat de capaciteit die voor SEP is gereserveerd aan de veiling moet worden toegewezen. De president oordeelt dat het besluit niet is genomen op grond van artikelen 76 of 98-101 van de Elektriciteitswet, maar dat hij wel bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.
De president stelt vast dat het bestreden besluit grotendeels is vervat in artikel 13 vanPro de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, dat binnenkort volledig in werking zal treden. Hierdoor zal het huidige systeem van reserveringen wettelijk worden verankerd en het besluit van 16 november 2000 komen te vervallen. Gezien de korte periode dat een voorziening effectief zou kunnen zijn en de belangenafweging, acht de president het niet nodig een voorlopige voorziening te treffen.
De verzoeken worden daarom afgewezen zonder verdere zitting en zonder veroordeling in kosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit over reservering transportcapaciteit wordt afgewezen.
Uitspraak
De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 00/944, 00/945 en 00/972 9 februari 2001
18050
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:
1. Vereniging voor Energie, Milieu en Water, te Woerden,
2. Vereniging voor Nederlandse Chemische Industrie, gevestigd te Leidschendam,
3. Vereniging FME-CWM, gevestigd te Zoetermeer,
verder te noemen: verzoeksters,
gemachtigde: mr M.R. het Lam, advocaat te Amsterdam,
tegen
de Directeur van de Dienst uitvoering en toezicht energie, verweerder,
gemachtigden: mr E.J. Daalder en mr A.Th. Meijer, advocaten te 's-Gravenhage.
Aan dit geding neemt tevens deel:
de B.V. Nederlands Elektriciteits Administratiekantoor (rechtsopvolgster van de N.V.
Samenwerkende elektriciteits-productiebedrijven (SEP), gevestigd te Arnhem,
gemachtigde: mr J.K. de Pree, advocaat te 's-Gravenhage.
1. De procedure
Bij besluit van 16 november 2000 (nummer 00-074), zoals gepubliceerd in de Staats-
courant van 17 november 2000, nummer 224, heeft verweerder onder verwijzing naar
artikel 36, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, onder meer, de voorwaarden
vastgesteld met betrekking tot de toewijzing van de transportcapaciteit
buitenlandverbindingen voor het jaar 2001. Bij dat besluit is onder artikel 5.6.4.1 bepaald
dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet in staat wordt gesteld om op de
landsgrensoverschrijdende verbindingen de benodigde ruimte voor het transport van
elektriciteit te reserveren om de verbintenissen uit overeenkomsten, gesloten met de
aangewezen vennootschap als bedoeld in artikel 96 vanPro de Elektriciteitswet 1998, na te
komen, met dien verstande dat de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tot de
hierna te noemen tijdstippen op aanvraag ten hoogste de hierna te noemen hoeveelheid
capaciteit voor het transport van elektriciteit kan toewijzen aan de aanvrager, indien deze
aanvrager verbintenissen tot invoer van elektriciteit nakomt die voortvloeien uit een of
meer van de hierna te noemen overeenkomsten, zoals deze luidden op 1 augustus 1998:
" a. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en
Electricit‚ de France anderzijds gesloten overeenkomsten betreft: 600 MW
voor de periode tot en met 31 maart 2002 en 750 MW voor de periode van
1 april 2002 tot en met 31 maart 2009;
b. voor zover het de in 1989 tussen de aangewezen vennootschap enerzijds en
Dat betekent dat een eventueel getroffen voorziening na inwerkingtreding van artikel 13
van de Overgangswet niet buiten bereik komt te liggen van de bevoegdheid van (de
president van) het College.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd gemotiveerd bestreden.
5. De beoordeling van het geschil
Naar voorlopig oordeel van de president is het besluit ten aanzien waarvan thans om
voorlopige voorziening wordt verzocht niet genomen op grond van de artikelen 76 of 98 tot
en met 101 van de Elektriciteitswet 1998. De president is derhalve van oordeel dat hij gelet
op het bepaalde bij artikel 82, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, mede bezien in het
licht van de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel, bevoegd is van de
onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening kennis te nemen.
De president stelt in de eerste plaats vast dat het onderdeel van het besluit waar
verzoeksters bezwaren zich in hoofdzaak tegen richten, te weten het bepaalde in het
hiervoor weergegeven besluit van 16 november 2000 (nummer 00-074) onder artikel
5.6.4.1, thans en in iets afgezwakte vorm, is vervat in artikel 13, eerste lid, van de
Overgangswet (artikel 12 vanPro het wetsvoorstel).
Wanneer artikel 13 voornoemdPro in zijn geheel in werking is getreden zal het door
verzoekster gewraakte systeem van reserveringen van transportcapaciteit voor elektriciteit
op de landsgrensoverschrijdende verbindingen in de wet zijn vervat. Tevens zal tengevolge
van het bepaalde bij artikel 5.6.4.7 van de Netcode het aangevallen onderdeel van het
besluit van verweerder van 16 november 2000 alsdan vervallen.
De president gaat er thans, blijkens het gestelde in de brief van 24 januari 2001 van de
Minister van Economische Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, vanuit dat
artikel 13 vanPro de Overgangswet binnenkort, doch uiterlijk voor 1 maart 2001, volledig in
werking zal treden.
Na volledige inwerkingtreding van artikel 13 vanPro de Overgangswet ligt het in
omstandigheden als hier aan de orde niet langer binnen het bereik van de president van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven een voorziening te treffen als thans gevraagd.
Naar het voorlopig oordeel van de president vloeit het thans door verzoeksters gewraakte
systeem van reserveringen van transportcapaciteit voor elektriciteit op de
landsgrensoverschrijdende verbindingen alsdan immers rechtstreeks voort uit het bepaalde
in artikel 13, eerste lid, van de Overgangswet. Nadere besluiten van verweerder voor het
operationeel maken van dat systeem zijn naar het voorlopig oordeel van de president niet
nodig.
Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat zelfs als de door verzoeksters gevraagde
voorziening zou worden getroffen, deze slechts gelding zou kunnen hebben voor de
periode dat het voorwerp van die voorziening zou bestaan. Deze periode zal, naar op grond
van het voorgaande moet worden aangenomen, slechts zeer kort zijn.
De president constateert derhalve enerzijds dat een eventueel te treffen voorziening slechts
gedurende zeer korte periode effectief zou kunnen zijn. Anderzijds is niet aannemelijk
geworden dat de belangen van verzoeksters, bezien in het licht van hun bij brief van
20 december 2000 desgevraagd ter zake gegeven nadere toelichting, gedurende die, als
gezegd, korte periode dat hun verzoeken om voorlopige voorziening nog van enig
(substantieel) voorwerp zullen zijn voorzien, zozeer in de knel zouden raken dat het treffen
van een voorlopige voorziening voor alleen die periode ge‹ndiceerd zou zijn.
Dat (de president van) het College van Beroep voor het bedrijfsleven na volledige
inwerkingtreding van artikel 13 vanPro de Overgangswet in andere casusposities eventueel in
voorkomend geval geroepen zou zijn artikel 13 voornoemdPro in de beoordeling te betrekken
maakt het vorenstaande niet anders.
De president is de wederzijdse belangen afwegend derhalve van oordeel dat de belangen
aan de zijde van verzoeksters in het licht van het vorenstaande niet opwegen tegen de
belangen die de derde-belanghebbende partij onmiskenbaar heeft bij handhaving van de
thans bij besluit in het leven geroepen, en eerdaags bij wet te continueren, status quo.
Gelet op het vorenstaande bestaat er naar het oordeel van de president aanleiding om met
toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder
(verdere) zitting uitspraak te doen.
De president acht geen grond aanwezig voor een veroordeling in de kosten van deze
procedure met toepassing van het bepaalde bij en krachtens artikel 8:75 vanPro de Awb.
6. De beslissing
De president wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af:
Aldus gewezen door mr R.R. Winter, president, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2001.