ECLI:NL:RBOVE:2026:2833
Rechtbank Overijssel
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Ontruiming gezamenlijke woning na echtscheiding wegens niet meewerken verkoop
Eiser en gedaagde zijn in 2024 gescheiden en hebben een gezamenlijke woning die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. De rechtbank had eerder bepaald dat gedaagde de woning zes maanden mocht gebruiken en dat de woning verkocht moest worden via een makelaar. De termijn van zes maanden verstreek in april 2025.
In een eerdere kortgedingprocedure werd gedaagde veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop, waaronder het toelaten van de makelaar. Gedaagde werkt echter niet mee, reageert niet op berichten en weigert toegang tot de woning, waardoor verkoop niet mogelijk is.
Eiser vordert ontruiming van de woning binnen veertien dagen, afgifte van sleutels, en betaling van proceskosten. Gedaagde is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst de ontruiming toe, maar wijst de gevorderde dwangsom en machtiging tot inzet van sterke arm af wegens overbodigheid en onvoldoende onderbouwing.
De vordering om de woning in goede staat achter te laten en kosten van herstel wordt afgewezen wegens onvoldoende nauwkeurigheid. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen en betaling van proceskosten, met afwijzing van dwangsom en machtiging sterke arm.