In dit kort geding vordert een gemeente als verhuurder ontruiming van een woning omdat de huurovereenkomst met de huurder zou zijn geëindigd per 9 februari 2026 door het aflopen van de bepaalde tijd. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd omdat geen sprake is van een tweede-kans-huurovereenkomst die voldoet aan de wettelijke eisen.
De huurder heeft huurbescherming en de huurovereenkomst is niet beëindigd door het verstrijken van de bepaalde tijd. De kantonrechter overweegt dat het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst strikt moet worden uitgelegd en dat de onderhuurconstructie tussen de gemeente en huurder niet voldoet aan de voorwaarden voor een tweede-kans-huurovereenkomst.
Daarnaast is de hoofdhuurovereenkomst tussen de woningcorporatie en de gemeente beëindigd, waarna de onderhuur op grond van de wet van rechtswege is voortgezet tussen de woningcorporatie en de huurder. Hierdoor verblijft de huurder niet zonder recht of titel in de woning. De vordering tot ontruiming en betaling van gebruiksvergoeding wordt daarom afgewezen en de gemeente wordt veroordeeld in de proceskosten.