Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De vennootschap naar buitenlands recht OSTREA D.O.O.te Novi Sad, Servië,
[eiser]te [woonplaats 1] ,
1.De procedure
2.De feiten
3.Toelichting
In de e-mailaccount van failliet is een brief aangetroffen aan één van de klanten, waarin wordt aangegeven dat failliet niet langer zorg zal dragen voor facturering van de “door haar buitenlandse partners Ostrea en [bedrijf] Corporate Services UK, via [bedrijf] aan u aangeboden producten en diensten.” De klant wordt verder direct doorverwezen naar Ostrea en [bedrijf] Corporate Services;
Er is e-mail aangetroffen van [naam 1] aan [naam 4] van 20 januari 2014 over conceptbrieven met het verzoek de jaarbijdrage te voldoen, waarin [naam 1] schrijft: “4e brief is niet aangepast naar Ostrea". Inderdaad staat bij één van de meegestuurde concepten nog het rekeningnummer van en tenaamstelling [bedrijf] Juristen;
De website van Ostrea, www.ostrea.rs, heeft dezelfde layout als de website van failliet. Daarnaast worden er uit de e-mailaccount van failliet e-mails verstuurd die zijn ondertekend door Ostrea Consult. Tevens worden de e-mails van Ostrea Consult die worden verzonden vanuit de e-mailaccount van failliet, ondertekend door [naam 4] (ex-werknemer van failliet). [naam 4] heeft echter ook een e-mailadres cs@ostrea.rs, dus het lijkt dat Ostrea zelf ook over een e-mailaccount beschikt;
Zoals u van [bedrijf] Juristen in Den Haag heeft vernomen, zullen wij de facturering van de door ons aan u geleverde producten en diensten voortaan niet meer door [bedrijf] Juristen laten verzorgen. In deze brief leest u wat deze wijziging voor u betekent.
mijn cliënt”) [gedaagde] aansprakelijk houdt voor zijn schade als gevolg van de aangifte.
3.Het geschil
4.De beoordeling
De heer [eiser] , hierna “ [eiser] ”, (Fdit Ostrea d.o.o., hierna “Ostrea”) heeft mij verzocht zijn belangen te behartigen”.Deze bewoordingen kunnen worden begrepen zoals [gedaagde] doet, namelijk dat alleen [eiser] heeft verzocht om zijn belangen te behartigen. Dit geldt temeer omdat het in de brief telkens gaat over “mijn cliënt”, in enkelvoud.
mijn cliënt is schuldig bevonden aan het onttrekken van het klantenbestand aan de boedel.”In het restant van de brief wordt vervolgens, kort gezegd, uiteengezet waarom dit oordeel van de strafrechter onterecht zou zijn en wat [gedaagde] in dit verband wordt verweten. Vast staat dat het vonnis van 31 juli 2019 alleen ziet op [eiser] . Ook bezien vanuit die context kan de brief van 27 oktober 2020 dus de indruk hebben gewekt dat deze enkel is verzonden namens [eiser] .
Inzake: [eiser] , Fdit Ostrea d.o.o. / Curator – faillissementsfraude”.Mede gelet op de overige, hiervoor besproken omstandigheden, acht de rechtbank deze omstandigheid echter niet doorslaggevend. Daarbij is van belang dat de wet voorschrijft dat een stuitingshandeling een schriftelijke mededeling is waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt (zie 4.2). De rechtbank leidt daaruit af dat de mededeling ook duidelijk moet zijn over (namens)
wiede stuitingshandeling (wordt) verricht. Bij dit alles weegt ook mee dat de brief van 27 oktober 2020 is opgesteld door een professionele rechtsbijstandverlener.
Stb.2017, 124). Tenzij anders vermeld, wordt hierna verwezen naar de wet- en regelgeving zoals die gold op 5 september 2014.
het onderhoud van bestaande structuren voortaan rechtstreeks door Ostrea[wordt]
verzorgd” en dat “
deze nieuwe werkwijze” gevolgen heeft voor de in rekening te brengen btw. Een redelijke uitleg hiervan zou een aanwijzing kunnen zijn voor het overhevelen van activiteiten en/of geldstromen naar een andere entiteit, zoals [gedaagde] de brief heeft begrepen en heeft vermeld in de aangifte.
houdt bemiddelen per definitie in dat de klanten geen eigendom zijn”. Ook op basis hiervan had [gedaagde] volgens hen dus kunnen en moeten concluderen dat het DCO-systeem toebehoorde aan Ostrea en dat van faillissementsfraude geen sprake was.
in direct contact stond met [eiser] ”, zodat ook voor [eiser] “
volstrekt helder moet zijn geweest waar[ [gedaagde] ]
naar op zoek was”.Ostrea c.s. hebben dit onvoldoende weersproken. Zij hebben op vragen van de rechtbank slechts geantwoord dat [eiser] “
niet wist dat hij[ [gedaagde] ]
zo heftig op zoek was[naar het het DCO-systeem]”. Gelet hierop neemt de rechtbank tot uitgangspunt: (i) dat [naam 1] wist hoe zeer [gedaagde] op zoek was naar het DCO-systeem en(ii) dat [naam 1] en [eiser] met elkaar in contact stonden. De rechtbank is met [gedaagde] van oordeel dat hij in deze omstandigheden niet gehouden was om (ook) [eiser] vóór het doen van de aangifte te vragen naar het ontbrekende DCO-systeem. Daarbij verdient opmerking dat [naam 1] , en niet [eiser] , destijds de (formele) bestuurder was van [bedrijf] en verantwoordelijk voor de administratie.
modus operandi”van [gedaagde] is om “
strafrechtelijke instrumenten[te]
gebruiken om de zaak later civielrechtelijk aan te pakken, omdat dat makkelijk is of sneller gaat.Naar het oordeel van de rechtbank hebben Ostrea c.s. echter onvoldoende onderbouwd waarom de door hen gestelde handelswijze van [gedaagde] in dit concrete geval ten opzichte van hen onzorgvuldig is/een onrechtmatige daad oplevert. De algemene stelling van Ostrea c.s. dat “
daarmee het zorgvuldig proces niet is gewaarborgd” volstaat daartoe in ieder geval niet; ook niet in samenhang bezien met de overige, hiervoor besproken omstandigheden van het geval.
een goede bekende is van het OM, met een lange staat van dienst”, zodat binnen het OM “
welwillend en ook met tunnelvisie” naar een strafrechtelijke aangifte van [gedaagde] wordt gekeken. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat [gedaagde] heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De door Ostrea c.s. gestelde status van [gedaagde] binnen het OM maakt dat – wat daar verder ook van zij – niet anders. Als het al zo zou zijn dat een aangifte van [gedaagde] door het OM anders is/wordt beoordeeld dan een aangifte van ieder ander, dan valt dat bovendien [gedaagde] niet te verwijten.
platleggen van de bedrijfsvoering van Ostrea” (met onder meer het verlies van personeel, klanten, omzet en inkomen en het moeten verlaten van huis en haard in Servië tot gevolg). Deze schade is naar het oordeel van de rechtbank echter met name het gevolg van beslissingen die zijn gemaakt door en behoren tot de exclusieve bevoegdheid van het OM, zoals het verzoek aan Servië om uitlevering van [eiser] , zijn aanhouding in Nederland en het leggen van strafvorderlijk beslag. Ook als [gedaagde] wel onrechtmatig zou hebben gehandeld door het doen van de aangifte (wat naar het oordeel van de rechtbank dus niet het geval is), is dus zeer de vraag in hoeverre de door Ostrea c.s. gestelde schade aan dat onrechtmatig handelen had kunnen worden toegerekend.