Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12955

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
09/691852
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 lid 1 BWArt. 6:3 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 6:203 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over verdeling kosten en opbrengsten verbouwing woning tussen ex-samenwoners

Partijen, ex-samenwoners met kinderen, hadden een affectieve relatie en woonden samen in een woning die door [partij 2] werd gekocht en later verkocht. [partij 1] vorderde vergoeding van kosten en opbrengsten van verbouwing en huishoudkosten, alsmede teruggave van persoonlijke goederen. [partij 2] betwistte de afspraken en stelde dat er sprake was van natuurlijke verbintenissen en verrekening.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was aangetoond dat partijen een afspraak hadden gemaakt over vergoeding van de overwaarde minus € 30.000 aan [partij 1]. Wel was overeengekomen dat materiaalkosten vergoed zouden worden. Van de gevorderde materiaalkosten werd een bedrag van € 11.784,46 toegewezen op basis van facturen en betaalbewijzen.

De vorderingen voor arbeidsuren, inzet derden, verblijfskosten en opslagruimte werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs en het bestaan van natuurlijke verbintenissen. De vordering tot afgifte van persoonlijke goederen werd afgewezen omdat deze grotendeels was voldaan of onvoldoende onderbouwd. De vorderingen in reconventie werden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van afspraken. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiaalkosten toe en wijst de overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaak- / rolnummer: C/09/691852 / HA ZA 25-825
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[partij 1],
te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. T.Y. Tsang,
tegen
[partij 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
advocaat: mr. I.J. Pieters (voorheen mr. F.W. Hoff).

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 15 september 2025, met producties 1 tot en met 4;
- het herstelexploot van 18 september 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 5 november 2025, met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord in reconventie van 17 december 2025;
- het tussenvonnis van 17 december 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
- het bericht namens [partij 1] van 12 maart 2026, met producties 5 en 6 [1] .
1.2.
Op 23 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.2.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn in juni 2023 en juli 2024 kinderen geboren.
2.3.
[partij 2] heeft op 1 maart 2023 een woning aan [adres] te [plaats] gekocht (hierna: de Woning). De koopsom was € 250.000.
2.4.
Partijen woonden sinds de zomer van 2023 als gezin in de Woning.
2.5.
In de zomer van 2024 is de affectieve relatie tussen partijen geëindigd. Sindsdien woont [partij 1] niet meer in de Woning.
2.6.
[partij 2] heeft de Woning op 21 februari 2025 verkocht voor een bedrag van
€ 359.500.
2.7.
Volgens de aflosnota van ING Bank N.V. van 10 februari 2025 bedroeg de hypotheek op dat moment € 229.554,97. De overwaarde van de Woning bedraagt € 129.946 en is aan [partij 2] toegekomen.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[partij 1] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [partij 2] veroordeelt tot (i) betaling van een bedrag van € 155.938, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, (ii) afgifte van een aantal persoonlijke goederen van [partij 1] op straffe van een dwangsom, en (iii) betaling van de proceskosten.
3.2.
[partij 1] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag: tussen partijen is afgesproken dat [partij 1] bij verkoop van de Woning het bedrag van de overwaarde zou ontvangen, minus een aan [partij 2] toekomend bedrag van € 30.000. [partij 2] is deze afspraak niet nagekomen en daarom heeft [partij 1] aanspraak op schadevergoeding, althans nakoming van deze afspraak. Daarnaast is [partij 2] door de prestaties van [partij 1] ter waarde van
€ 155.938 ongerechtvaardigd verrijkt, omdat de woning door de verbouwing aanzienlijk in waarde is gestegen en [partij 2] woongenot door de verbouwing heeft gehad. [partij 1] heeft zijn prestaties bovendien onverschuldigd verricht, want hij heeft daarvoor geen vergoeding ontvangen en deze kunnen niet ongedaan worden gemaakt. Verder is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als [partij 2] de vruchten van de prestaties van [partij 1] zonder enige tegenprestatie mag behouden. Tot slot heeft [partij 2] nog kleding, schoenen, gebruiksvoorwerpen en andere persoonlijke goederen van [partij 1] onder zich en weigert zij ten onrechte om deze terug te geven.
3.3.
[partij 2] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] .
3.4.
[partij 2] voert – samengevat – het volgende aan. Er is geen afspraak op grond waarvan [partij 1] bij verkoop van de Woning de overwaarde zou ontvangen. [partij 2] is door de prestaties van [partij 1] ook niet (ongerechtvaardigd) verrijkt en [partij 1] is hierdoor niet verarmd. Door de prestaties te verrichten voldeed [partij 1] aan een natuurlijke verbintenis, omdat [partij 2] alle kosten van de huishouding betaalde, zorgde dat er een woning was en [partij 1] hielp in zijn onderneming. Verder heeft [partij 1] niet aangetoond welk bedrag hij aan kosten voor de Woning heeft gemaakt. Tot slot heeft zij geen persoonlijke goederen van [partij 1] (meer) onder zich.
In (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
In reconventie vordert [partij 2] – zakelijk weergegeven – veroordeling van [partij 1] tot betaling van een bedrag van € 5.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van het vonnis, met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten in reconventie.
3.6.
[partij 2] vordert in voorwaardelijke reconventie, namelijk voor het geval dat [partij 2] in conventie veroordeeld wordt tot betaling van een bedrag aan [partij 1] , veroordeling van [partij 1] tot betaling van ditzelfde bedrag aan [partij 2] .
3.7.
[partij 2] legt aan haar vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie – samengevat – het volgende ten grondslag: partijen hebben afgesproken dat [partij 1] voor de aan hem toebedeelde auto een bedrag van € 25.000 zou betalen. [partij 1] heeft daarvan een bedrag van
€ 5.000 niet voldaan. Verder hebben partijen de door [partij 2] te betalen klusmaterialen weggestreept tegen de door [partij 1] te betalen bijdrage in de kosten van de huishouding. Als [partij 1] dus een bedrag voor materiaalkosten krijgt toegekend, moet hij voor datzelfde bedrag in de kosten van de huishouding bijdragen. Bovendien is [partij 1] in dat geval ongerechtvaardigd verrijkt, omdat hij nagenoeg niets aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen. Daarnaast heeft [partij 2] in dat geval de kosten van de huishouding zonder rechtsgrond voldaan, omdat deze dan niet uit hoofde van een natuurlijke verbintenis zijn voldaan. Omdat [partij 2] meer is verarmd dan [partij 1] , moet [partij 2] tot slot ook op grond van ‘de redelijkheid en billijkheid’ hetzelfde bedrag krijgen als aan [partij 1] wordt toegekend.
3.8.
[partij 1] voert verweer strekkende tot afwijzing van de (voorwaardelijke) vordering in reconventie.
In conventie en (voorwaardelijke) reconventie
3.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Samenvatting
4.1.
Deze zaak draait, in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie, om de vraag of [partij 2] een vergoeding aan [partij 1] moet betalen voor de door hem uitgevoerde verbouwing van c.q. kluswerkzaamheden aan de Woning. Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank eerst beoordelen of [partij 2] op grond van een tussen partijen gemaakte afspraak een (schade)vergoeding moet betalen. Daarna zal worden beoordeeld of [partij 2] op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro [2] ), onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 1 BW Pro en artikel 6:248 lid 1 BW Pro) een bedrag moet betalen.
4.2.
Verder moet de vraag worden beantwoord of [partij 1] recht heeft op afgifte van een aantal zaken en of [partij 1] nog een bedrag van € 5.000 aan [partij 2] moet betalen voor de aan hem toebedeelde auto.
In conventie
Moet [partij 2] op grond van een afspraak een vergoeding betalen?
4.3.
Volgens [partij 1] zijn partijen tijdens de aanschaf van de Woning het volgende mondeling overeengekomen: [partij 1] zou investeren in en verbouwingen verrichten aan de Woning. De gemaakte kosten, waaronder die voor het materiaal en de verbouwingen, zou [partij 1] bij verkoop van de Woning terugkrijgen. Daarbij zou zijn afgesproken dat [partij 2] uit de overwaarde een bedrag van € 30.000 zou ontvangen, terwijl de rest aan [partij 1] toekwam.
4.4.
[partij 2] betwist dat is afgesproken dat de overwaarde van de Woning (al dan niet na aftrek van € 30.000) aan [partij 1] zou toekomen. Zij betoogt dat [partij 1] de werkzaamheden aan de Woning kosteloos zou verrichten, omdat daartegenover stond dat zij bepaalde werkzaamheden voor het bedrijf van [partij 1] verrichtte. Volgens [partij 2] zou zij alleen de materiaalkosten die [partij 1] zou maken voor de Woning vergoeden uit de overwaarde van de Woning. Verder betoogt [partij 2] dat partijen samen de kosten van de huishouding zouden betalen. Maar iedere keer als zij [partij 1] om een bijdrage in deze kosten vroeg, zou [partij 1] hebben gezegd dat hij dat niet kon betalen omdat hij materialen had voorgeschoten. Daarom zouden partijen de bijdrage van [partij 1] in de kosten van de huishouding tegen zijn materiaalkosten hebben weggestreept, zodat er nu niets meer te verrekenen valt.
4.5.
Partijen verschillen dus ten eerste van mening over wat er is afgesproken over (de vergoeding van) de kosten voor en investeringen in de Woning die [partij 1] zegt te hebben gedragen. Omdat [partij 1] zich beroept op de rechtsgevolgen van de volgens hem gemaakte afspraken, moet hij aantonen dat deze afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daar niet in geslaagd. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij 2] , had het op de weg van [partij 1] gelegen om zijn standpunt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door specifieker te zijn over het moment waarop de afspraken over de vergoeding van kosten en investeringen zijn gemaakt en over wat partijen daarover toen precies hebben verklaard. Dit heeft hij echter nagelaten. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [partij 1] de (volledige) overwaarde van de Woning, na aftrek van € 30.000, zou ontvangen als vergoeding van door hem gedragen kosten voor en investeringen in de Woning.
4.6.
[partij 1] voert in dit verband nog aan dat het niet voor de hand ligt dat hij gedurende meer dan een halfjaar vrijwel dagelijks werkzaamheden verrichtte aan een woning die hem niet toebehoort, personeel inzet en zich tijdelijk elders huisvest, zonder dat daar enige vorm van compensatie tegenover stond. Dit betoog slaagt niet. Ten eerste is in deze procedure niet vast komen te staan hoeveel tijd [partij 1] aan de Woning heeft besteed en ook niet dat hij personeel heeft ingeschakeld waarvoor hij (loon)kosten heeft gemaakt (zie daarover ook rov. 4.20 e.v.). Bovendien valt niet in te zien waarom het bestaan van de door [partij 1] gestelde mondelinge overeenkomst (dat hij de volledige overwaarde van de Woning minus € 30.000 zou krijgen) hierdoor zou worden aangetoond. Op grond van de in rov. 4.18 genoemde omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank juist voor de hand dat hij géén vergoeding voor zijn arbeidsuren ontving.
4.7.
[partij 1] heeft daarnaast nog aangevoerd dat [partij 2] de door hem gestelde afspraken heeft erkend, omdat zij de verbouwing heeft toegestaan en daarvan heeft geprofiteerd. Dit betoog slaagt ook niet. Het toestaan of profiteren van de verbouwing past zowel bij de lezing die [partij 1] van de afspraken geeft als bij die van [partij 2] . De rechtbank ziet daarom niet in waarom het toelaten en profiteren van de verbouwing juist een erkenning van de lezing van [partij 1] zou zijn.
4.8.
[partij 2] heeft wel erkend dat de afspraak was dat zij de materiaalkosten die [partij 1] zou maken voor de Woning uit de overwaarde van de Woning zou vergoeden. Deze afspraak moet zij dus nakomen. De overwaarde van de Woning bedraagt € 129.946, zodat de materiaalkosten die [partij 1] heeft gemaakt tot maximaal dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komen. De op nakoming gebaseerde vordering van [partij 1] is dus toewijsbaar, zij het tot het beloop van het bedrag dat hij daadwerkelijk aan materiaalkosten heeft gemaakt en met een maximum van € 129.946.
4.9.
[partij 2] voert in dit verband aan dat partijen hebben afgesproken om de materiaalkosten van [partij 1] te verrekenen met de door hem te betalen bijdrage in de kosten van de huishouding en dat deze vorderingen tegen elkaar weggestreept kunnen worden. Nog los van de vraag of deze afspraak daadwerkelijk is gemaakt, heeft [partij 2] de door haar gemaakte kosten van de huishouding niet geconcretiseerd en onderbouwd (zie daarover ook de beoordeling in voorwaardelijke reconventie, rov. 4.40 e.v.). Het in conventie gevoerde verrekeningsverweer van [partij 2] slaagt dus niet.
4.10.
[partij 2] betoogt tot slot dat [partij 1] niet heeft aangetoond dat hij de materiaalkosten waarvan hij vergoeding vordert zelf heeft betaald en evenmin dat deze materialen zijn aangeschaft voor de Woning. Hij zou de materialen namelijk ook kunnen hebben aangeschaft voor (andere) projecten die hij in dezelfde periode vanuit zijn bedrijf heeft gedaan.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat het voor een aantal van de gevorderde materiaalkosten voldoende aannemelijk is dat [partij 1] deze ten behoeve van de Woning heeft gemaakt en daadwerkelijk heeft betaald. Het gaat daarbij om materiaalkosten waarvan de overgelegde factuur vermeldt dat de aangeschafte materialen op het adres van de Woning moeten worden afgeleverd en waarvoor [partij 1] een betaalbewijs heeft overgelegd. De vordering van [partij 1] tot betaling van deze materiaalkosten zal daarom worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van het op de betreffende facturen vermelde bedrag exclusief BTW, omdat uit het door [partij 1] overlegde kostenoverzicht blijkt dat hij deze kosten vanuit zijn bedrijf heeft betaald (en hij dus BTW heeft kunnen verrekenen). Het betreft de volgende kosten, die in totaal optellen tot een bedrag van € 11.784,46:
- Factuur van Tikamoon van 4 april 2023 voor een badkamermeubel ten bedrage van € 908,26.
- Factuur van Zelfbouwmarkt van 8 april 2023 voor een binnendeur ten bedrage van
€ 504,05.
Factuur van [bedrijfsnaam 1] van 1 mei 2023 ten bedrage van € 852, waarbij een factuur van BMN voor onder meer machinepleister in rekening wordt gebracht.
- Factuur van Ceramic Tools B.V. van 14 mei 2023 voor tegelgereedschappen ten bedrage van € 361,19.
- Factuur van [bedrijfsnaam 2] B.V. van 16 mei 2023 voor de huur van een kraan ten bedrage van € 1.484.
- Factuur van Bruynzeel keukens van 31 mei 2023 voor een keuken ten bedrage van
€ 4.495,87.
- Factuur van [naam] van 4 juni 2023 voor een cv-ketel ten bedrage van
€ 1.450.
- Factuur van OnlineVloerenSpecialist.nl van 13 juni 2023 voor ondervloerplaten ten bedrage van € 248,14.
- Bestelspecificatie betreffende een wastafelkraan met aankoopdatum 19 juni 2024 van Tegelsanitair Depot ten bedrage van € 165,25.
- Factuur van Mediamarkt van 9 augustus 2023 voor een Samsung-apparaat ten bedrage van € 937,19.
- Factuur van Schuifdeurexpert.nl van 6 maart 2024 voor een stalen taatsdeur ten bedrage van € 378,51.
4.12.
Voor de overige materiaalkosten die [partij 1] vordert, geldt dat het op de weg van [partij 1] had gelegen om nader te onderbouwen dat hij de materiaalkosten waarvan hij vergoeding vordert specifiek voor de Woning heeft gemaakt en dat hij deze kosten daadwerkelijk (zelf) heeft gemaakt. Dit heeft hij echter nagelaten en daarom wijst de rechtbank de door [partij 2] gemotiveerd betwiste vordering tot betaling van deze kosten niet toe.
Moet [partij 2] om andere redenen een vergoeding betalen?
4.13.
[partij 1] legt aan zijn vordering tot betaling van een bedrag van € 155.938 ook ten grondslag dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling en dat zijn vordering op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden toegewezen. Het gevorderde bedrag is volgens hem opgebouwd uit de volgende, hierna achtereenvolgens te behandelen, posten:
1. Materiaalkosten: € 63.148
2. Eigen arbeidsuren: € 70.560 (1.176 uur à € 60)
3. Kosten inzet van derden: € 12.430
4. Kosten voor verblijf bij de moeder van [partij 1] : € 7.000
5. Huur van opslagruimte voor de inboedel van [partij 2] : € 2.800
Ad 1: Materiaalkosten
4.14.
In rov. 4.8 heeft de rechtbank geoordeeld dat [partij 2] de afspraak om de materiaalkosten die betrekking hebben op de Woning uit de overwaarde van de Woning te vergoeden, moet nakomen. Daarom kan in het midden blijven of deze kosten op grond van ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling of redelijkheid en billijkheid (ook) voor vergoeding in aanmerking komen.
Ad 2: Eigen arbeidsuren
4.15.
Volgens [partij 1] zou hij gedurende een periode van ongeveer zeven maanden gemiddeld acht uur per dag aan de woning hebben gewerkt en heeft hij in die periode geen andere projecten kunnen doen. Volgens [partij 2] kluste [partij 1] alleen in het weekend aan de Woning. Dit zou ook blijken uit de jaarrekening van het bedrijf van [partij 1] van 2023. Als [partij 1] werkelijk een half jaar fulltime aan de woning had gewerkt, zou deze jaarrekening ten opzichte van het jaar ervoor een afname van de netto omzet van meer dan de helft moeten laten zien. In werkelijkheid bedroeg deze afname volgens [partij 2] echter € 20.000 bij een netto omzet van € 75.000. Daarnaast stond tegenover de inspanningen van [partij 1] voor de Woning, dat [partij 2] werkzaamheden voor het bedrijf van [partij 1] verrichtte. Ook daarom is vergoeding van de arbeidsuren van [partij 1] niet aan de orde, aldus [partij 2] .
4.16.
[partij 2] betoogt verder dat [partij 1] met de inzet van zijn arbeidsuren voldeed aan een natuurlijke verbintenis. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog slaagt.
4.17.
Op grond van artikel 6:3 lid 2 aanhef Pro en onder b BW bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie moet de vraag of in een concreet geval van een natuurlijke verbintenis sprake is, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en naar een objectieve maatstaf, en komt daarbij geen beslissende betekenis toe aan het subjectieve inzicht van degene die zich gehouden acht, dan wel de prestatie voldoet.
4.18.
De rechtbank acht in dit verband met name van belang dat partijen een affectieve relatie hadden en een gemeenschappelijke huishouding voerden waarin zij over en weer kosten c.q. lasten voor hun rekening namen. Zo staat tegenover de arbeidsuren van [partij 1] dat hij geen vergoeding voor het verblijf in de Woning betaalde en dat [partij 2] fulltime werkte en een inkomen genereerde. En hoewel partijen twisten over de precieze omvang van de kosten van de huishouding die [partij 2] voor haar rekening nam (zie ook rov. 4.40 e.v.) en over de aard en omvang van de werkzaamheden die zij voor de onderneming van [partij 1] verrichtte, staat tussen hen wel vast dat [partij 2] , behalve de Woning, ook kosten van de huishouding voor haar rekening nam en dat zij tijd investeerde in het bedrijf van [partij 1] . Bovendien is van belang dat het woongenot dat uit de inzet van de arbeidsuren van [partij 1] resulteerde ook ten goede kwam aan de kinderen van partijen. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat een zodanig dringende morele verplichting van [partij 1] moet worden aangenomen, dat naleving daarvan in de vorm van de inzet van zijn arbeidsuren bij het verbouwen van c.q. klussen aan de Woning naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan [partij 2] toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een natuurlijke verbintenis. Het inzetten van de arbeidsuren vond dus niet zonder rechtsgrond plaats en daarom is van onrechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling geen sprake. Om diezelfde reden is de vordering van [partij 1] ook niet toewijsbaar op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.19.
[partij 1] voert in dit verband nog aan dat zijn prestaties verder gingen dan normale bijdragen binnen een relatie. Dit betoog slaagt niet, omdat de omvang van zijn arbeidsuren niet is komen vast te staan en uit het voorgaande volgt dat [partij 2] ook een substantiële bijdrage heeft geleverd in de vorm van het beschikbaar stellen van de Woning, het genereren van inkomen, haar rol in het bedrijf van [partij 1] en het dragen van kosten van de huishouding.
Ad 3: Kosten inzet van derden
4.20.
Volgens [partij 1] zou hij voor de verbouwing van de Woning drie tot vijf werknemers van zijn eigen onderneming hebben ingeschakeld en de loonkosten van deze werknemers volledig uit eigen middelen hebben voldaan.
4.21.
Volgens [partij 2] heeft [partij 1] geen werknemers in de Woning laten klussen. Uit de jaarrekening van het bedrijf van [partij 1] zou ook blijken dat hij destijds geen werknemers in dienst had. Volgens haar hebben de broers van [partij 1] wel bij de verbouwing geholpen, maar hebben zij hiervoor geen vergoeding ontvangen.
4.22.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vergoeding aan werknemers en/of zijn broers heeft betaald voor verrichte werkzaamheden aan de Woning. Nu [partij 2] dit gemotiveerd heeft betwist, had het op de weg van [partij 1] gelegen om zijn standpunt hierover nader te onderbouwen. Hij had dit bijvoorbeeld kunnen doen door stukken te overleggen waaruit betalingen aan werknemers blijken of verklaringen van de werknemers en broers, waarin zij bevestigen dat zij deze werkzaamheden hebben verricht en daarvoor door [partij 1] zijn betaald. [partij 1] heeft dit echter nagelaten.
4.23.
De rechtbank is, gezien het voorgaande, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [partij 1] kosten heeft gemaakt voor de inzet van derden die klusten in de Woning. De vordering van [partij 1] tot vergoeding van deze kosten zal daarom worden afgewezen.
Ad 4: Kosten voor verblijf bij de moeder van [partij 1]
4.24.
Volgens [partij 1] hebben [partij 2] en hij tijdens de verbouwing van de Woning bij de moeder van [partij 1] gewoond. Het bedrag dat hij in dit verband vordert zou zien op de huur en overige verblijfskosten, zoals gas, water, elektriciteit, gebruik van voorzieningen en gedeelde boodschappen.
4.25.
[partij 2] betwist dat [partij 1] € 600 per maand aan zijn moeder betaalde als tegenprestatie voor de tijdelijke inwoning. Bovendien voert zij aan dat dit bedrag veel te hoog is, omdat het om een sociale huurwoning met een huursom van € 900 per maand ging, waarin partijen één kamer gebruikten. Verder betoogt [partij 2] dat zij in die periode alle overige kosten van partijen betaalde.
4.26.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij verblijfskosten aan zijn moeder heeft betaald. Het had het, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij 2] , op de weg van [partij 1] gelegen om zijn vordering op dit punt nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van zijn moeder en betaalbewijzen te overleggen. Dit heeft hij echter nagelaten. Bovendien heeft hij niet voldoende onderbouwd hoe het gevorderde bedrag van € 7.000 is berekend. Daarom zal de vordering van [partij 1] tot vergoeding van de kosten voor het verblijf bij zijn moeder worden afgewezen.
Ad 5: Huur van opslagruimte voor de inboedel van [partij 2]
4.27.
Volgens [partij 1] heeft hij gedurende een aantal maanden opslagruimte voor de inboedel van [partij 2] gehuurd. [partij 2] betoogt dat de huur een stuk lager was dan [partij 1] stelt en dat dit kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn. Verder betoogt zij dat [partij 1] in de door hem gehuurde ruimte ook eigen spullen opsloeg en dat hij de kantoorruimte die [partij 2] huurde ook als opslag voor zijn spullen gebruikte.
4.28.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een bedrag van € 2.800 aan huur heeft betaald voor opslagruimte van spullen van (alleen) [partij 2] . [partij 1] heeft niet toegelicht hoe dit bedrag is berekend en hij heeft dit bedrag ook niet onderbouwd met bijvoorbeeld facturen. Bovendien heeft [partij 1] niet weersproken dat hij zelf ook gebruik maakte van de gehuurde opslagruimte en dat hij spullen opsloeg in de kantoorruimte die [partij 2] op haar kosten huurde. Dit alles betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, voor zover [partij 1] zou hebben betaald voor opslagruimte voor spullen van [partij 2] , er sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling is daarom geen sprake. Tot slot is de vordering om die reden ook niet toewijsbaar op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Afgifte van persoonlijke goederen
4.29.
Volgens [partij 1] bevindt zich nog een aantal persoonlijke goederen van hem onder [partij 2] . Het betreft een laptop, een horloge, iPhones, opladers, een geluidsinstallatie, een zaag- en boormachine, waterpassen, trainingsbroeken- en jacks, jassen, overige kledingstukken, tien tot vijftien paar schoenen, tassen, petten en diverse persoonlijke papieren.
4.30.
Volgens [partij 2] heeft zij alle kleding en spullen die [partij 1] bij zijn vertrek uit de Woning had achtergelaten in een bak gedaan. Deze bak is inmiddels terug naar [partij 1] . De laptop is volgens [partij 2] niet van [partij 1] , maar van haar. [partij 2] betoogt dat zij geen andere spullen van [partij 1] onder zich heeft.
4.31.
[partij 1] heeft ter zitting bevestigd dat de bak met kledingstukken is teruggegeven. Verder heeft hij ter zitting niet weersproken dat de laptop van [partij 2] is. Dat de overige door [partij 1] teruggevorderde zaken zich nog onder [partij 2] bevinden heeft hij, na de betwisting daarvan door [partij 2] , niet nader onderbouwd. Dit deel van zijn vordering zal daarom worden afgewezen.
Slotsom
4.32.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [partij 2] gehouden is tot nakoming van de afspraak dat zij de materiaalkosten van [partij 1] die betrekking hebben op de Woning moet vergoeden, tot maximaal het bedrag van de overwaarde. In deze procedure is komen vast te staan dat [partij 1] een bedrag van € 11.784,46 aan materiaalkosten heeft gemaakt die betrekking hebben op de Woning. Dit bedrag zal de rechtbank toewijzen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Het gevorderde bedrag voor het overige en de vordering tot afgifte van persoonlijke goederen zullen worden afgewezen.
4.33.
De rechtbank zal in rov. 4.44 een beslissing nemen over de proceskosten in conventie en (voorwaardelijke) reconventie.
In (voorwaardelijke) reconventie
Moet [partij 1] € 5.000 betalen voor de aan hem toebedeelde auto?
4.34.
[partij 2] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 5.000. Toen partijen uit elkaar gingen, hebben partijen volgens haar afgesproken dat de hun gemeenschappelijk toebehorende auto aan [partij 1] zou worden toebedeeld en dat hij haar daar een bedrag van € 25.000 voor zou betalen. [partij 1] zou hiervan een bedrag van € 5.000 onbetaald hebben gelaten.
4.35.
[partij 1] betwist deze afspraak. Volgens hem is er tijdens een tussen partijen gevoerde
mediationprocedure gesproken over de verdeling van de auto, maar zijn er uiteindelijk geen definitieve afspraken gemaakt.
4.36.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door [partij 1] , had het op de weg van [partij 2] gelegen om met feiten en omstandigheden nader te onderbouwen dat de door haar gestelde afspraak inderdaad is gemaakt. Dat heeft zij echter niet gedaan. Daarom zal haar vordering tot betaling van € 5.000 worden afgewezen.
Moet [partij 1] hetzelfde bedrag aan [partij 2] betalen als zij aan hem moet betalen?
4.37.
De vordering van [partij 2] tot veroordeling van [partij 1] om hetzelfde bedrag aan [partij 2] te betalen als wat [partij 2] aan [partij 1] moet betalen is voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval [partij 2] in conventie tot betaling van een bedrag aan [partij 1] wordt veroordeeld.
4.38.
De rechtbank zal in conventie de vordering van [partij 1] tot een beloop van € 11.784,46 toewijzen. Dit betekent dat aan de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke vordering in reconventie is ingesteld, is voldaan. De rechtbank zal de voorwaardelijke ingestelde vordering van [partij 2] daarom behandelen.
4.39.
Volgens [partij 2] hebben partijen afgesproken dat [partij 1] de helft van de kosten van de huishouding zou betalen, maar heeft [partij 1] dit nagelaten. [partij 1] heeft betwist dat een dergelijke afspraak bestond. [partij 2] heeft haar vordering ook gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en ‘de redelijkheid en billijkheid’.
4.40.
In rov. 4.18 heeft de rechtbank overwogen dat partijen een affectieve relatie hadden, waarin partijen over en weer kosten en inspanningen voor hun gezamenlijke huishouding voor hun rekening namen. Tegenover het beschikbaar stellen van de Woning, haar inspanningen voor de onderneming van [partij 1] en de kosten van de huishouding die [partij 2] voor haar rekening nam, stond dat [partij 1] de Woning heeft verbouwd c.q. daarin kluswerkzaamheden heeft verricht. De rechtbank is daarom van oordeel dat de betaling van de kosten van de huishouding als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis van [partij 2] moeten worden beschouwd. Deze betaling vond dus niet zonder rechtsgrond plaats en daarom is van onrechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling geen sprake. Om diezelfde reden is de vordering ook niet toewijsbaar op grond van ‘de redelijkheid en billijkheid’. Dat er, naast het bestaan van de natuurlijke verbintenissen van partijen over en weer, een afspraak bestaat dat [partij 1] de helft van de kosten van de huishouding zou betalen, heeft [partij 2] naar aanleiding van de betwisting door [partij 1] niet nader onderbouwd. Het bestaan van een dergelijke afspraak is dan ook niet vast komen te staan.
4.41.
De rechtbank begrijpt de stellingen van [partij 2] aldus, dat zij meent dat zij (veel) meer heeft bijgedragen aan de gezamenlijke huishouding dan [partij 1] . [partij 2] voert in dat verband aan dat uit een door haar overlegde financiële analyse van Ataxus blijkt dat zij gedurende de affectieve relatie tussen partijen voor een bedrag van ongeveer € 254.000 is verarmd, terwijl [partij 1] voor een bedrag van € 127.000 is verrijkt. [partij 1] heeft betoogd dat Ataxus niet onafhankelijk is en dat het daarom niet om een objectieve berekening gaat. Bovendien is de analyse volgens hem slechts een optelsom van banksaldi, inkomen en een eerdere uitkering en toont deze niet aan dat [partij 2] deze bedragen daadwerkelijk aan [partij 1] dan wel de gezamenlijke huishouding heeft besteed.
4.42.
De rechtbank volgt dit betoog van [partij 1] . De analyse van Ataxus, of deze nou onafhankelijk te noemen is of niet, vermeldt niet waaraan de inbreng van [partij 2] is besteed, zodat daaruit ook niet blijkt of deze geheel of gedeeltelijk aan [partij 1] ten goede is gekomen. Op basis van deze analyse kan dus niet worden geconcludeerd dat [partij 1] door de inbreng van [partij 2] is verrijkt en/of dat [partij 2] hierdoor is verarmd. Dat [partij 2] , naast de inbreng van de arbeidsuren door [partij 1] , nog iets van hem tegoed heeft, is daarmee ook niet komen vast te staan.
Slotsom
4.43.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie zullen worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
4.44.
Nu de vorderingen en de verweren in conventie en (voorwaardelijke) reconventie nauw met elkaar verweven zijn, partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld en het geschil de periode betreft waarin partijen een affectieve relatie met elkaar hadden en samenwoonden, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 11.784,46, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 15 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In (voorwaardelijke) reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [partij 2] af;
In conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.De tevens aangekondigde productie 7 ontbreekt.
2.Burgerlijk Wetboek