Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten
stakeholders, zoals regionale overheden, worden op andere manieren geïnformeerd door de programmadirectie. De besluitvorming binnen het programma vindt plaats op twee niveaus. Ten eerste op dat van de stuurgroep ERTMS (de stuurgroep) die wordt voorgezeten door de DGMo en verder bestaat uit ProRail en verschillende (groepen van) vervoerders. Ten tweede op dat van het
management teamERTMS (MT) dat verantwoordelijk is voor (dagelijkse) programmasturing.
Dual Signalling). Op 13 juli 2018 is binnen het programma besloten om de Hanzelijn aan te wijzen als proefbaanvak.
Dual Signallingproblematisch werd geacht. In de loop van 2023 is duidelijk geworden dat het proefbedrijf op de Hanzelijn niet langer wenselijk was. Nadere technische en operationele inzichten hebben gemaakt dat de keuze voor de Hanzelijn als proefbaanvak als zeer risicovol werd beschouwd omdat het risico op (on)geplande hinder te groot werd, zonder dat een goede terugvaloptie beschikbaar zou zijn. Dit zou een groot uitstralingseffect kunnen hebben op het hele spoor. Bovendien was door de grote stroom aan reizigers op deze corridor vervangend busvervoer of omreizen lastig te organiseren.
taskforcemet partijen uit de spoorsector (de taskforce).
Early Deployment Line– op het spoor tussen Harlingen Haven en Leeuwarden aangewezen. Dit proefbaanvak kent relatief weinig complexiteit omdat het een enkelspoor zonder bovenleiding betreft, waarop één vervoerder rijdt en geen goederenvervoer plaatsvindt.
- variant 1: proefbaanvak op het traject Vlissingen-Lewedorp en daarna uitrol op het traject Lewedorp-Roosendaal;
- variant 2: testen en beproevingen op het eerste deel van de Zeeuwse Lijn tussen Vlissingen-Lewedorp en het baanvak Lage Zwaluwe-Roosendaal; en
- variant 3: testen en beproevingen op een deel van het emplacement Lage Zwaluwe en op het baanvak Lage Zwaluwe-Roosendaal.
rb.]-overgangen, mode-transities?
Minder Hinder:De hoeveelheid reizigers op de Zeeuwse Lijn is significant lager dan de hoeveelheid reizigers op de Hanzelijn. Station Vlissingen verwerkt nu gemiddeld zo'n 2.000 reizigers per dag. Station Lelystad verwerkt zo'n 10.000 reizigers per dag. Dit betekent dat de hoeveelheid reizigers dat gehinderd wordt voor zowel voor de geplande als ongeplande hinder significant kleiner is op de Zeeuwse Lijn. Het is ook beter mogelijk om alternatieven aan de reizigers aan te bieden. Ook bij variant 3 zijn de reizigersaantallen hoger. Station Roosendaal verwerkt dagelijks ook zo'n 10.000 reizigers.’
- optimalisatie van de werkzaamhedenplanning in Zeeland voor, tijdens en na de implementatie van ERTMS;
- uitgebreide communicatie over hinderplanning en vervangend vervoer. De bussen starten eerder en rijden langer dan de treindienst en er wordt voorzien in een expresdienst Vlissingen-Middelburg-Goes;
- de Staat draagt € 2.100.000 bij aan vervangend vervoer voor de specifiek aan het spoor rijdende scholierenlijnen door dit in de busconcessie op te nemen;
- NS realiseert een maximaal mogelijke bezetting van OV-fietsen in de stallingen van Middelburg, Goes en Vlissingen. Daarnaast worden nieuwe afgiftepunten voor OV-fietsen gerealiseerd in Arnemuiden en Vlissingen-Souburg;
- de Staat betaalt € 3.500.000 voor de realisatie van de toegangsweg Yerseke. De provincie Zeeland verhoogt haar bijdrage aan de bouwroute voor het Veerse Meer Zuid met € 500.000;
- de sprinterdienst Zeeland-Breda wordt zo lang mogelijk doorgezet;
- in het kader van de pilot Publiek Vervoer onderzoeken de provincie Zeeland, de Staat en NS of de drempels voor het plannen, boeken en betalen van reizen kan worden verlaagd; en
- er wordt een onderwijspakket voor een Zeeuwse onderwijsinstelling ontwikkeld voor toekomstig spooronderhoudspersoneel. De Staat heeft hiervoor een bedrag van
- MBO-, HBO- en WO-instellingen verwachten dat vanwege de extra reistijd die gedurende de proef geldt veel studenten zich inschrijven bij een instelling in Brabant of Zuid-Holland. Dit terwijl Zeeuwse onderwijsinstellingen al geconfronteerd worden met krimp, wat leidt tot een verschraling van het onderwijsaanbod;
- Zeeuwse onderwijsinstellingen zullen het extra moeilijk krijgen met het aantrekken van voldoende gekwalificeerd personeel. Op de vestigingen in Goes, Middelburg en Vlissingen zijn docenten en medewerkers die in Brabant wonen werkzaam. Voor hen wordt het door de extra reistijd aantrekkelijker om elders een baan te aanvaarden;
- leerlingen en medewerkers van onderwijsinstellingen zullen extra moeilijkheden ondervinden om naar school te komen; en
- het vervangend busvervoer leidt tot aanzienlijk meer reistijd. Dat geldt met name voor het busvervoer van en naar het station in Goes vanwege de drukte op de wegen aldaar.
4.Het geschil
- het staken en gestaakt houden van de voorbereidingen voor het inzetten van het baanvak Goes-Vlissingen als proefbaanvak voor het inregelen van ERTMS voor zover die inzet plaatsvindt op een wijze die leidt tot afsluiting van het baanvak voor reizigers gedurende meerdere maanden;
- met veroordeling van de Staat in de proceskosten aan de zijde van SSZ.
5.De beoordeling
ex nunc) en niet uitsluitend naar het moment waarop het aanwijzingsbesluit genomen is (
ex tunc).
Elke regio telt! Een nieuwe aanpak van verschillen tussen regio’s(2023) van de rijksdiensten Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad Volksgezondheid & Samenleving, welk rapport de basis vormde voor het Nationale Programma Vitale Regio’s uit 2025, en het adviesrapport
Wind in de Zeilen(2020) van speciaal adviseur de heer B. Wientjes, waarin een compensatiepakket voorgesteld wordt voor de provincie Zeeland na het intrekken van het kabinetsbesluit om de marinierskazerne van Doorn naar Vlissingen te verplaatsen. Het in deze rapporten opgenomen beleid laat zien dat de keuze voor het baanvak Goes-Vlissingen voor de proef met ERTMS vanuit het perspectief van consistent overheidsbeleid onverdedigbaar is, aldus SSZ.
Elke regio telt! Een nieuwe aanpak van verschillen tussen regio’sgaat in op de vraag wat nodig is om de verschillen tussen regio’s, ook op het terrein van het openbaar vervoer, te verkleinen.
Wind in de Zeilenbevat ook maatregelen om het openbaar vervoer in Zeeland te verbeteren, onder meer door het instellen van een intercitydienst van en naar Vlissingen. SSZ heeft niet toegelicht dat uit deze rapporten volgt dat geen proefbaanvak op het traject Goes-Vlissingen mag of zal worden ingesteld. Bovendien heeft SSZ niet onderbouwd welke bindende rechtsnorm(en) besloten ligt/liggen in voormelde beleidsdocumenten en op welke wijze de gestelde schending daarvan leidt tot onrechtmatig handelen van de Staat jegens SSZ.
Zijn aantoonbaar mogelijke alternatieve locaties en alternatieve technische invullingen voor de Hanzelijn/Lelystad als proefbaanvak, voor het gehele test- en proefbedrijf of voor delen daarvan zijn onderzocht?
- doordat bepaalde criteria als
- de afweging tussen de drie varianten is ook niet consequent volgens een éénduidig afwegingskader beoordeeld. Niet duidelijk is bijvoorbeeld welke rol de aanwezigheid van een emplacement met bepaalde voorzieningen hierin speelt en of ten behoeve van het proefbaanvak bijvoorbeeld een emplacement kan worden aangelegd of geschikt kan worden gemaakt.
- uit het rapport van Horvat & Partners blijkt verder dat de onderzoeken zijn gedaan in overleg met ProRail en vervoerders, maar niet met organisaties die de belangen van de achterban van SSZ vertegenwoordigen. Met name is niet duidelijk hoe (a) de belangen van goederenvervoerders gewogen zijn ten opzichte van die van reizigers en (b) reizigershinder precies gewogen is.
ofhet belang van SSZ is meegewogen.
knock outcriteria in het eindrapport (randnummer 3.13) en de notitie waarin de beslispunten zijn opgenomen (randnummer 3.19)). Dat de toepassing van dit criterium nadelig uitpakt voor reizigers die gebruik maken van minder druk bereden baanvakken, zoals de Zeeuwse Lijn, staat er niet aan in de weg dat de Staat in redelijkheid dit criterium heeft mogen hanteren. De gekozen criteria zijn immers bedoeld om tot een verantwoorde keuze voor een proefbaanvak te komen en het is nu eenmaal een feit dat een proefbaanvak nadelige gevolgen heeft voor treinreizigers. Ook wanneer gekozen wordt voor andere proefbaanvakken leidt dat tot hinder voor de reizigers die gebruik maken van het spoor waarop het proefbaanvak wordt gerealiseerd.
knock outcriteria zijn gebruikt. De rechtbank kent bij de beoordeling van deze verwijten groot gewicht toe aan conclusie C in het rapport van Horvat & Partners, dat de gehanteerde criteria geschikt zijn om baanvakken te beoordelen op geschiktheid voor het test- en proefbedrijf. Het ligt vervolgens op de weg van SSZ om, tegen de achtergrond van deze conclusie die zij ook heeft opgevoerd in de dagvaarding, zo concreet mogelijk te onderbouwen waarom een criterium niet geschikt is als
knock outcriterium. Daarin is SSZ niet geslaagd, zoals hierna wordt toegelicht.
knock outcriterium wordt gehanteerd, kan de rechtbank niet goed volgen. Het criterium vereist namelijk de aanwezigheid van representatief treinverkeer, zoals in het eindrapport (zie randnummer 3.13) is toegelicht. Het omrijden van goederentreinen, wat de taskforce overigens onwenselijk acht, is als voorbeeld gebruikt waarom voor het
knock outcriterium gekozen is, maar (de mate van) omrijden is geen onderdeel van dat
knock outcriterium. Bovendien heeft SSZ niet inzichtelijk gemaakt dat het wegvallen of wijzigen van dit
knock outcriterium ertoe leidt dat het aanwijzingsbesluit redelijkerwijs niet genomen had mogen worden.
knock outcriterium is gekozen, heeft SSZ onvoldoende onderbouwd. In het eindrapport (zie randnummer 3.13) is toegelicht dat het de voorkeur heeft dat het baanvak en het emplacement dat deel uitmaakt van het proefbaanvak, op elkaar aansluiten omdat dit de test- en beproevingsaanpak vereenvoudigt. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat SSZ niet onderbouwt waarom, ondanks de toelichting van de taskforce, dit criterium zou moeten worden afgewogen tegen kosten en hinder, waarbij SSZ ook niet duidelijk heeft gemaakt op welke kosten en hinder zij exact doelt
.
knock outcriteria die door de taskforce zijn gebruikt niet goed zijn toegelicht. Bovendien heeft te gelden, zoals de Staat ook heeft aangevoerd, dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet vereist dat elk belang in een beslissing moet worden betrokken. Dat geldt zeker voor afgeleide belangen, zoals het belang van de Zeeuwse onderwijsinstellingen bij het behoud van leerlingen, studenten en medewerkers. Dat de onderwijsinstellingen de gestelde gevolgen daadwerkelijk gaan ervaren is overigens onvoldoende onderbouwd, wat de rechtbank nader zal motiveren in randnummer 5.30.