ECLI:NL:RBDHA:2025:22579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.57696
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod van verzoeker van Marokkaanse nationaliteit

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, een man van Marokkaanse nationaliteit, afgewezen. Verzoeker had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit, een besluit tot signalering en een zwaar inreisverbod dat op 23 juli 2025 aan hem was opgelegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en dat er geen zwaarwegende belangen zijn die maken dat verzoeker de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. De minister van Asiel en Migratie had aangegeven dat verzoeker op 1 december 2025 zou worden uitgezet naar Marokko, wat de voorzieningenrechter als spoedeisend belang erkent. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat hij rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk en dat zijn stellingen over zijn persoonlijke situatie niet voldoende zijn om het inreisverbod te weerleggen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor verzoeker op 1 december 2025 kan worden uitgezet naar Marokko. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57696

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).

Samenvatting

1. Met deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, dat samenhangt met zijn beroep gericht tegen het aan verzoeker opgelegde terugkeerbesluit, het besluit tot signalering en zware inreisverbod.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Aan verzoeker is op 23 juli 2025 een terugkeerbesluit en een besluit tot signalering opgelegd en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar (zwaar inreisverbod) uitgevaardigd. Verzoeker heeft hiertegen op 1 augustus 2025 beroep ingesteld. [1] De behandeling van dit beroep staat gepland op 16 december 2025. Met de kennisgeving van 19 november 2025 heeft de minister aangegeven dat verzoeker op 1 december 2025 zal worden uitgezet naar Marokko. Verzoeker heeft daarop op 24 november 2025 verzocht om een voorlopige voorziening hangende het door hem ingestelde beroep.
2.1.
De minister heeft op 28 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.2.
In verband met het spoedeisende karakter van dit verzoek om een voorlopige voorziening doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [2] De gemachtigde van verzoeker heeft bij indiening van het verzoek al aangegeven hiervoor, voor zover vereist, toestemming te geven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat er een spoedeisend belang is, omdat de minister van plan is om verzoeker op 1 december 2025 te doen uitreizen naar Casablanca (Marokko).
Heeft het beroep redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter ziet in de stelling van verzoeker, dat hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf in Frankijk, onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat hij daadwerkelijk een verblijfsrecht heeft in Frankrijk. Uit het verweerschrift maakt de voorzieningenrechter op dat de minister navraag heeft gedaan bij de Franse autoriteiten en dat daaruit is gebleken dat verzoeker sinds 17 januari 2024 geen rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk en dat tegen hem een uitzettingsbevel is uitgevaardigd.
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de stelling van verzoeker, dat de minister het proces-verbaal van gehoor niet heeft mogen betrekken in het besluit, geen doel treft. Verzoeker heeft de stelling onvoldoende onderbouwd en concreet gemaakt. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt verder dat verzoeker heeft verklaard de tolk goed te verstaan en te begrijpen.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker de stelling dat hij in Nederland werk heeft gevonden bij zijn voormalige werkgever onvoldoende onderbouwd.
4.3.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De minister is in het besluit ingegaan op de aard en ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het misdrijf werd gepleegd. De minister heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen overwegen dat er geen aanwijzingen zijn dat de omstandigheden waarin verzoeker tot zijn daden komt of zijn normbesef dusdanig positief zijn gewijzigd, dat niet meer voor nieuwe misdrijven hoeft te worden gevreesd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister aldus geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het opleggen van het inreisverbod of om de duur van het inreisverbod te verkorten. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de stelling van verzoeker dat hij zijn gedrag heeft verbeterd in de PI [3] geen doel treft. De voorzieningenrechter volgt de minister in het standpunt dat het goede gedrag van verzoeker in detentie onvoldoende zegt over het toekomstige gedrag in de samenleving. [4]
4.4.
De voorzieningenrechter is tot slot van oordeel dat het beroep van verzoeker dat sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM [5] weinig kans van slagen heeft. Verzoeker heeft de gestelde aanwezigheid van en banden met zijn dochter, zijn verloofde, zijn vrienden en andere familie niet onderbouwd of concreet gemaakt. De enkele stellingen dat hij vaak naar België is geweest op doorreis, telefonisch contact had met zijn dochter, een rol wil spelen in haar leven, wil samenwonen met zijn verloofde in Nederland en ooms, tantes, een broer en een zus heeft in Spanje, Frankrijk en Noorwegen zijn daartoe onvoldoende.
4.5.
De voorzieningenrechter heeft ambtshalve onderzocht of de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen of het beginsel van non-refoulement aan het opleggen van dat terugkeerbesluit in de weg staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechte is dat niet het geval. Dit blijkt niet uit het dossier of algemene informatie. Verzoeker is op 19 juni 2025 geïnformeerd over het voorstel om een zwaar inreisverbod en een terugkeerbesluit op te leggen. Verzoeker heeft desgevraagd aangegeven geen problemen te hebben in Marokko. Hij vertelde daar ook op vakantie naartoe te gaan. Omdat hij gewend is in Europa wil hij in Frankrijk wonen.
Is er sprake van zwaarwegende belangen?
5. Door verzoeker zijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, geen zwaarwegende belangen aangevoerd, die maken dat hij de beroepsprocedure toch in Nederland mag afwachten. De minister heeft er bovendien op gewezen dat het door Marokko afgegeven laissez-passer geldig is tot 3 december 2025 en dat verzoeker, bij een eventueel gegrond beroep, alsnog zijn verblijf in Nederland, Frankrijk of België kan regelen en kan terugkeren.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat verzoeker de uitkomst van zijn beroep niet in Nederland mag afwachten en dat de minister hem op 1 december 2025 mag uitzetten naar Marokko. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep staat geregistreerd onder NL25.35672.
2.Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.
3.Penitentiaire inrichting.
4.Hierbij verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328.
5.Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden.