In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag wordt het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, een man van Marokkaanse nationaliteit, afgewezen. Verzoeker had beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit, een besluit tot signalering en een zwaar inreisverbod dat op 23 juli 2025 aan hem was opgelegd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en dat er geen zwaarwegende belangen zijn die maken dat verzoeker de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten. De minister van Asiel en Migratie had aangegeven dat verzoeker op 1 december 2025 zou worden uitgezet naar Marokko, wat de voorzieningenrechter als spoedeisend belang erkent. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat hij rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk en dat zijn stellingen over zijn persoonlijke situatie niet voldoende zijn om het inreisverbod te weerleggen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor verzoeker op 1 december 2025 kan worden uitgezet naar Marokko. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.