Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2018:4315

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 oktober 2018
Publicatiedatum
18 oktober 2018
Zaaknummer
200.238.130_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 316 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en ontstaan nieuwe schulden

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 18 oktober 2018 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd waarin de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellant werd uitgesproken. Dit volgde op een eerder tussenarrest van 5 juli 2018 waarin het hof de behandeling had aangehouden en nadere informatie had opgedragen aan de bewindvoerder en appellant.

De bewindvoerder stelde vast dat appellant een aanzienlijke boedelachterstand had laten ontstaan, die door appellant niet werd weersproken. Ook had appellant geen reëel en deugdelijk plan van aanpak overgelegd om deze achterstand in te lopen. Daarnaast verstrekte appellant geen actuele informatie over zijn inkomsten en uitgaven en verrichtte hij geen betalingen meer aan de boedelrekening, waardoor de bewindvoerder belemmerd werd in zijn taken.

Verder erkende appellant het ontstaan van nieuwe, bovenmatige schulden, zonder hiervoor een plan van aanpak te presenteren. Het hof oordeelde dat appellant tekort was geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en dat de rechtbank terecht had geoordeeld tot tussentijdse beëindiging van de regeling. Het arrest werd in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren.

Uitkomst: De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellant wordt bekrachtigd wegens niet-nakoming van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
Uitspraak : 18 oktober 2018
Zaaknummer : 200.238.130/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/16.621
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. Veldman te Breda.
als vervolg op het door dit hof op 5 juli 2018 gewezen tussenarrest.

5.Het tussenarrest van 5 juli 2018

Bij dat arrest heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden en daarbij de bewindvoerder opgedragen om de (alsnog) door [appellant] overgelegde stukken op korte termijn te bestuderen en aansluitend aan [appellant] kenbaar te maken wat de juiste hoogte van het maandelijks vrij te laten bedrag is over de afgelopen periode vanaf toelating, wat de juiste hoogte van de maandelijkse boedelbijdrage is over de afgelopen periode vanaf toelating en daaraan gekoppeld wat de actuele hoogte van de (eventuele) boedelachterstand thans is. Daarnaast heeft het hof bij voornoemd arrest [appellant] opgedragen om naar aanleiding hiervan een reëel en deugdelijk onderbouwd plan van aanpak met betrekking tot het inlopen van de alsdan vastgestelde (eventuele) boedelachterstand en nieuwe schuldenlast aan zijn bewindvoerder te overleggen. Voorts heeft het hof bij voornoemd arrest de bewindvoerder opgedragen om aansluitend hierop het hof te informeren middels overlegging van zijn berekeningen, inclusief toelichting, ten aanzien van met name doch niet uitsluitend de verdiscontering van de reiskostenvergoeding en de herbepaling van de maandelijkse partnerbijdrage van de partner van [appellant] , de actuele hoogte van het maandelijks vrij te laten bedrag, de maandelijkse boedelbijdrage en de (eventuele) boedelachterstand alsmede een afschrift van het door [appellant] ingediende plan van aanpak vergezeld van zijn schriftelijke reactie hierop. Tevens diende de bewindvoerder het hof daarbij te informeren omtrent de naleving door [appellant] van zijn verplichtingen voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling vanaf de datum van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Tot slot heeft het hof [appellant] opgedragen om het hof schriftelijk en inclusief alle onderliggende bescheiden te informeren met betrekking tot de door hem ondernomen en zo mogelijk reeds gerealiseerde stappen tot het inschakelen van hulp bij het nakomen van zijn kernverplichtingen.

6.Het verloop van de procedure na tussenarrest.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de brieven met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 13 juli 2018, 8 augustus 2018 en 30 augustus 2018 alsmede van de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 30 augustus 2018 en 31 augustus 2018.

7.De beoordeling

7.1.
Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef Pro en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.
7.2.
In zijn schrijven van 30 augustus 2018 stelt de bewindvoerder dat de boedelachterstand tot en met augustus 2018, rekening houdend met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, € 3.618,29 bedraagt. Zowel in zijn beroepschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] het bestaan van een (aanzienlijke) boedelachterstand erkend. Bovendien heeft de bewindvoerder [appellant] bij schrijven aan diens advocaat van 8 augustus 2018 middels toezending van de aangepaste vtlb berekening en het daarop gebaseerde overzicht boedelbijdrage van de exacte hoogte van deze boedelachterstand op de hoogte gesteld. Deze door de bewindvoerder vastgestelde hoogte is door [appellant] op geen enkele wijze weersproken. Het hof is dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat [appellant] een omvangrijke boedelachterstand heeft laten ontstaan en voortduren waarbij het hof geen enkele aanleiding ziet om te veronderstellen dat de hoogte hiervan anders zou zijn dan door de bewindvoerder is vastgesteld.
7.3.
Een en ander klemt des temeer nu [appellant] , ondanks het feit dat hij hiertoe door het hof bij tussenarrest van 5 juli 2018 is geïnstrueerd althans in de gelegenheid is gesteld, geen reëel en deugdelijk onderbouwd plan van aanpak heeft overgelegd, hetgeen de advocaat van [appellant] in zijn schrijven van 30 augustus 2018 ook nadrukkelijk vermeldt.
7.4.
Daar komt bij dat [appellant] sinds de mondelinge behandeling in hoger beroep de bewindvoerder geen enkele actuele informatie over zijn inkomsten en uitgaven heeft verstrekt en behoudens het vakantiegeld ook geen enkele betaling meer aan de boedelrekening heeft gedaan. Nu [appellant] geen actuele loonstroken heeft verstrekt kan de bewindvoerder bovendien niet controleren of [appellant] daadwerkelijk 36 uur per week werkt en daarmee voldoet aan de urennorm zoals die in het kader van de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en arbeidsplicht onverkort van toepassing is. Daarmee is de bewindvoerder nog steeds (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op hem rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw Pro). Naar het oordeel van het hof staat dan ook vast dat [appellant] in ieder geval ook de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht niet naar behoren, en recent zelfs in het geheel niet meer, is nagekomen en dat dit mogelijk ook met betrekking tot de sollicitatie- en arbeidsplicht, voor zover [appellant] minder zou werken dan 36 uur per week, het geval zou kunnen zijn.
7.5.
Vast staat eveneens dat [appellant] gedurende zijn schuldsaneringsregeling nieuwe, en gelet op de hoogte van zijn besteedbaar inkomen, bovendien bovenmatige, schulden heeft laten ontstaan. Het bestaan van deze nieuwe schulden is door [appellant] zowel in zijn beroepschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nadrukkelijk erkend. Ook ten aanzien van deze nieuwe schulden is door [appellant] geen reëel en deugdelijk onderbouwd plan van aanpak overgelegd, hetgeen de advocaat van [appellant] in zijn schrijven van 30 augustus 2018 eveneens nadrukkelijk erkent. Of [appellant] op deze nieuwe schulden aflost is, behoudens de schuld aan CZ waarop hij maandelijks een bedrag van € 25,00 aflost, daarbij onbekend. Stukken waaruit een en ander zou kunnen worden herleid zijn door [appellant] aan zijn bewindvoerder noch het hof overgelegd. Het feit dat [appellant] inmiddels stappen zou hebben ondernomen tot het aanvragen van een beschermingsbewind maakt dit geenszins anders.
7.6.
Het hof is van oordeel dat, doordat [appellant] bekend is, althans redelijkerwijs geacht wordt bekend te zijn, met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering, mede in welk verband het hof naar de processtukken wijst, de geconstateerde tekortkomingen [appellant] kunnen worden verweten, nu immers het tegendeel niet is gebleken (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270). Daarnaast heeft [appellant] de hem bij arrest van 5 juli 2018 door het hof geboden kans nagenoeg volledig onbenut gelaten. Nu het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellant] , zoals (subsidiair) door hem is verzocht, te verlengen, daargelaten nog dat een concreet financieel plan van aanpak ten aanzien van de nieuwe schulden en de boedelachterstand – voor zover al door de bewindvoerder precies vast te stellen nu nog steeds bepaalde informatie zijdens [appellant] ontbreekt – niet voorhanden is, althans in hoger beroep niet is overgelegd. Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds dient te worden beëindigd.
7.7.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

8.De uitspraak

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, R.R.M. de Moor en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2018.