ECLI:NL:CRVB:2026:643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt dagloonbesluit UWV wegens strijd met evenredigheidsbeginsel
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn dagloon door het UWV voor zijn WIA-uitkering per 16 december 2019, vastgesteld op € 79,91. Het UWV weigerde appellant als starter aan te merken op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, omdat hij in de eerste maand van de referteperiode loon had genoten bij een andere werkgever met een afwijkend aangiftetijdvak. Hierdoor werd een deel van het loon toegerekend aan december 2016, wat leidde tot een lagere dagloonberekening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de toepassing van artikel 16, tweede lid, van het Dagloonbesluit in deze bijzondere situatie leidt tot een onredelijk bezwarend resultaat voor appellant, omdat het loon van november 2016 ten onrechte wordt toegerekend aan december 2016. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen waarbij de dagloondagen van december 2016 buiten beschouwing worden gelaten. Tevens veroordeelt de Raad de Staat tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.500,- en veroordeelt het UWV en de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de eerdere besluiten worden vernietigd.
Uitkomst: Het besluit van het UWV over de dagloonvaststelling wordt vernietigd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.