Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:625

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/1365 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen

Appellante heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft vastgesteld dat zij geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. De rechtbank heeft het bezwaar van appellante tegen de weigering van de uitkering ongegrond verklaard en het UWV-standpunt gevolgd dat er nog behandelopties zijn die herstel mogelijk maken.

Appellante voerde aan dat de gevolgen van geweld door haar vader onvoldoende zijn meegewogen en dat er reden is een onafhankelijke deskundige te raadplegen. De rechtbank verwierp dit en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is omdat er nog perspectief op verbetering bestaat.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat duurzaamheid betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat er nog kansen op verbetering zijn, mede op basis van een psychiatrische expertise en het behandeladvies van de behandelend psychiater.

Het hoger beroep wordt verworpen, de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De Raad wijst het verzoek om een onafhankelijke deskundige af vanwege het ontbreken van twijfel aan de medische beoordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is.

Uitspraak

24/1365 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2024, 23/6590 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante is een eerdere aanvraag om Wajonguitkering ten onrechte afgewezen en beschikte zij op het moment van de tweede aanvraag op 25 juni 2020 en op 22 maart 2022 (de dag waarop de derde aanvraag om uitkering is ontvangen) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G. Evers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Voor appellante is mr. Evers verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2000, heeft met een door het Uwv op 5 december 2018 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv de aanvraag bij besluit van 25 februari 2019 afgewezen, omdat zij volgens het Uwv beschikt over arbeidsvermogen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
Op 25 juni 2020 heeft appellante voor de tweede maal een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij is vermeld dat de gezondheidstoestand van appellante ten opzichte van de eerste aanvraag is verslechterd. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van onder meer psychiater drs. M.R.J. Kattemölle van 14 maart en van 12 augustus 2019. Na onderzoek door een verzekeringsarts is vastgesteld dat er geen arbeidsvermogen is, maar dat die situatie niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Bij besluit van 5 oktober 2020 heeft het Uwv de aanvraag om Wajong-uitkering afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 22 december 2020 niet ontvankelijk verklaard.
1.3.
Op 22 maart 2022 heeft appellante voor de derde maal een aanvraag om Wajonguitkering ingediend. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante nog steeds geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. De verzekeringsarts heeft informatie van de behandelend psychiater van [geboortedatum] 2022 opgevraagd en meegewogen. Met een besluit van 12 juli 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat er geen sprake is van nieuwe of andere informatie die reden geeft het besluit van 5 oktober 2020 te herzien. Vervolgens is geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.4.
In bezwaar heeft op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 11 juli 2023 een psychiatrische expertise plaatsgevonden door psychiater J.A.E.M. van Venrooij. Van Venrooij noemt een aantal behandelopties en beschrijft het mogelijk te behalen resultaat daarvan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de behandelend psychiater Kattemölle gevraagd om een reactie. Kattemölle kan blijkens zijn rapport van 11 augustus 2023 de door Van Venrooij genoemde behandelopties onderschrijven.
1.5.
Bij besluit van 21 september 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 12 juli 2022 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies. Dat er niet is doorgevraagd naar het geweld van de vader van appellante jegens appellante maakt de beoordeling niet anders. De afwijzing van de aanvraag houdt verband met de conclusie dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is omdat er nog behandelmogelijkheden zijn. Die conclusie wordt ondersteund door de behandelend psychiater in zijn reactie op de conclusies van door het Uwv geraadpleegde onafhankelijke deskundige Van Venrooij. Zo schrijft Kattemölle: “Het behandeladvies in het rapport onderschrijf ik: Ik heb patiënte regelmatig aangeraden intensievere psychotherapeutische behandeling te zoeken in haar eigen regio, maar ik kon haar hiervoor niet motiveren. Ook nu is dat mijn dringende advies aan haar wat dus helaas niet wordt opgevolgd.” De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er nog behandelopties waren en dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de medisch-inhoudelijke beoordeling van het Uwv, heeft zij het verzoek om raadpleging van een onafhankelijke deskundige afgewezen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van appellante op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft haar standpunt herhaald dat de gevolgen van het geweld van haar vader zijn onderschat. Appellante twijfelt niet aan de juistheid van de medische conclusies als geen rekening wordt gehouden met de mishandeling, maar op grond van alle feiten en omstandigheden bestaat volgens appellante aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellante zowel op het moment van de tweede aanvraag om uitkering per 25 juni 2020 alsook per datum van de derde aanvraag op 22 maart 2022 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) [3] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.
Met inachtneming van het vorenstaande kan de rechtbank worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 25 juni 2020 en op 22 maart 2022 niet uitgesloten was dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bij appellante zich nog konden ontwikkelen. Van Venrooij heeft namelijk mogelijkheden voor behandeling genoemd, waarbij een protocollaire behandeling volgens de GGZzorgstandaard ‘aanpassingsstoornis (incl. overspanning en burn-out)’ is genoemd. Doel van de behandeling is herstel van controle en handvatten voor de coping. De behandelend arts heeft deze mogelijkheid van behandeling onderschreven.
5.6.
Gelet op 5.1 tot en met 5.5 heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in het standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen van appellante op 25 juni 2020 en op 22 maart 2022 niet duurzaam was en appellante daarom niet als jonggehandicapte is aan te merken.
5.7.
Aangezien er geen reden is voor twijfel aan de medische beoordeling door het Uwv, wordt het verzoek om het raadplegen van een deskundige afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.