Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:573

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/416 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep WIA-besluit

Appellante stelde hoger beroep in tegen een WIA-besluit van het UWV. Tijdens de procedure werd een deskundigenrapport uitgebracht en diende appellante een zienswijze in. Het UWV nam vervolgens een gewijzigde beslissing op bezwaar die geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante.

Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV maakte geen gebruik van de mogelijkheid tot een verweerschrift na de gewijzigde beslissing. De Raad besloot de zaak zonder nadere zitting af te doen.

De Raad oordeelde dat het UWV de proceskosten in hoger beroep, begroot op € 2.335,-, en het betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante moet vergoeden. Dit volgt uit de toepasselijke artikelen van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door M.E. Fortuin namens de Centrale Raad van Beroep op 13 mei 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/416 WIA
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2024, 22/1122 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 december 2024. Voor appellante is mr. drs. De Kort verschenen en haar dochter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en M.M. Wolff-van der Ven, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 19 september 2025 een rapport uitgebracht. Appellante heeft een zienswijze ingediend.
Het Uwv heeft op 11 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een nadere zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken, omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 november 2025 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Aangezien het Uwv de gemaakte kosten in bezwaar reeds heeft vergoed en de rechtbank het Uwv al heeft veroordeeld in de kosten in beroep en het vergoeden van het griffierecht, moet de Raad nog slechts oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-).
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.335,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.