Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV waarin een proceskostenvergoeding werd verrekend met een openstaande vordering. Appellante stelde dat ook de in 2017 opgelegde boete in mindering gebracht had moeten worden op deze vordering. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bestreden besluit uitsluitend zag op de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering. De hoogte van de boete stond reeds vast en was niet onderwerp van het besluit. Appellante had de berekening van de vordering niet bestreden en haar argumenten waren een herhaling van eerdere standpunten die door de rechtbank terecht waren verworpen.
Verder wees de Raad erop dat het UWV nieuw beleid heeft vastgesteld omtrent kwijtschelding, maar dat appellante geen verzoek daartoe had ingediend. De rectificatie-uitspraak van juni 2024 was niet betrokken bij het bestreden besluit, maar appellante werd hierdoor niet benadeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding kreeg toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit van het UWV blijft in stand.