Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:569

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/757 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a, vijfde lid, TWArt. 14g, eerste lid, TWArt. 14g, tweede lid, TWArt. 20, eerste lid, TWArt. 20a, tweede lid, TW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van verrekening vordering en boete door UWV in hoger beroep

Deze zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV waarin een proceskostenvergoeding werd verrekend met een openstaande vordering. Appellante stelde dat ook de in 2017 opgelegde boete in mindering gebracht had moeten worden op deze vordering. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bestreden besluit uitsluitend zag op de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering. De hoogte van de boete stond reeds vast en was niet onderwerp van het besluit. Appellante had de berekening van de vordering niet bestreden en haar argumenten waren een herhaling van eerdere standpunten die door de rechtbank terecht waren verworpen.

Verder wees de Raad erop dat het UWV nieuw beleid heeft vastgesteld omtrent kwijtschelding, maar dat appellante geen verzoek daartoe had ingediend. De rectificatie-uitspraak van juni 2024 was niet betrokken bij het bestreden besluit, maar appellante werd hierdoor niet benadeeld. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij appellante geen proceskostenvergoeding kreeg toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit van het UWV blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/757 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2025, 24/6084 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over verrekening van een vordering die appellante op het Uwv heeft met een vordering die het Uwv op appellante heeft. Volgens appellante moet het bedrag van de aan haar in 2017 opgelegde boete eveneens in mindering worden gebracht op deze vordering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv met het bestreden besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot verrekening.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Voor appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv een bedrag van € 29.341,91 bruto aan over de periode van 1 januari 2013 tot en met 12 maart 2017 te veel ontvangen toeslag van appellante teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 4 september 2017 heeft het Uwv appellante een boete van € 5.200,- opgelegd. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2018 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing.
1.2.
Met een uitspraak van 6 maart 2024 [1] heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 437,50 aan appellante.
1.3.
Met een besluit van 18 maart 2024 heeft het Uwv het bedrag van € 437,50 verrekend met een nog openstaande vordering van € 28.257,91.
1.4.
Bij uitspraak van 10 juni 2024 [2] heeft de Raad zijn uitspraak van 6 maart 2024 gerectificeerd, omdat daarin ten onrechte het Uwv (in plaats van de Staat der Nederlanden) is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van appellante.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 8 juli 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 maart 2024 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat het Uwv de proceskostenvergoeding van € 437,50 terecht heeft verrekend met de openstaande vordering en dat in het bestreden besluit alleen beslist is over deze verrekening. Dat de verrekening betrekking heeft op een openstaand bedrag als gevolg van een terugvordering en boete, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het in deze procedure ook over de schending van de inlichtingenplicht kan gaan die aan de boete ten grondslag ligt. De boete en terugvordering staan al in rechte vast. De rechtbank heeft daarom geen oordeel gegeven of appellante al dan niet haar inlichtingenverplichting heeft geschonden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante maakt de vraag of de boete in mindering op de openstaande vordering moet worden gebracht onderdeel uit van het bestreden besluit, omdat daarin besloten ligt dat de resterende vordering hoger is dan die volgens appellante hoort te zijn. In dit verband heeft appellante gewezen op de uitlatingen van J. Hirscher van het bestuur van het Uwv. In het verleden zijn onterecht boetes opgelegd omdat mensen ten onrechte werden beschuldigd van schending van de inlichtingenplicht. Gelet op de omstandigheden van het geval, had de boete ook bij appellante in mindering moeten worden gebracht op de nog openstaande vordering.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de verrekening van de proceskostenvergoeding met de openstaande vordering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
7. Een deel van de nog openstaande vordering ziet op de in 2017 opgelegde boete. Appellante heeft in feite betoogd dat de boete verlaagd of geschrapt moet worden, omdat de boete niet terecht zou zijn. Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld, ziet het bestreden besluit echter enkel op verrekening van bedragen. De omvang van het geding is beperkt tot de vraag of het Uwv met het bestreden besluit hieraan op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven. Dat in het bestreden besluit de hoogte van de op dat moment openstaande vordering van het Uwv op appellante is vermeld, maakt dat niet anders. Appellante heeft de berekening van de hoogte van deze vordering op zich ook niet bestreden.
8. Verder heeft appellante ter zitting verwezen naar een uitspraak van de Raad [3] waarin is vermeld dat het Uwv heeft toegelicht dat het Uwv sinds 1 januari 2024 nieuw beleid heeft vastgesteld met betrekking tot kwijtschelding. Een beroep op deze uitspraak slaagt evenwel niet, reeds omdat geen verzoek om kwijtschelding voorligt. Zoals het Uwv heeft opgemerkt, kan appellante desgewenst bij het Uwv een verzoek om kwijtschelding indienen.
9. Vastgesteld wordt tot slot dat het Uwv de onder 1.4 vermelde rectificatie-uitspraak niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Het Uwv heeft toegelicht dat het verrekeningsbesluit dus niet genomen had hoeven te worden. Echter heeft het Uwv toegezegd hier niet op terug te komen. Hiermee wordt appellante dus niet tekort gedaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
.

(getekend) D.S. de Vries

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 14g, eerste lid, Toeslagenwet (TW)
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete en een eerdere bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, met een toeslag op grond van deze wet, een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen of de Wet arbeid en zorg, die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd ontvangt.
Artikel 14g, tweede lid, TW
2. Onverminderd het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bestuurlijke boete verrekenen met een vordering die degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd op hem heeft.
Artikel 20, eerste lid, TW
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
Artikel 20a, tweede lid, TW
2. Artikel 14g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.

Voetnoten

1.CRvB 6 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:468.
2.CRvB 10 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1173.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 19 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1691.