In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 28 augustus 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellant tegen de beslissing van het Uwv over de mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant, die zich op 3 september 2012 ziek meldde met psychische klachten, ontving aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv had de mate van arbeidsongeschiktheid per 31 januari 2022 vastgesteld op 78,33%. De Raad bevestigt deze vaststelling, na het benoemen van een onafhankelijke deskundige, die de beperkingen van appellant heeft beoordeeld. De deskundige concludeerde dat de eerder vastgestelde beperkingen niet toereikend waren, maar dat appellant op de datum in geding in staat was om 5 uur per dag en 25 uur per week te werken. De Raad oordeelt dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op een IVA-uitkering. De rechtbank had eerder het beroep van appellant tegen een eerdere beslissing van het Uwv gegrond verklaard, maar de Raad bevestigt nu de beslissing van het Uwv. Tevens is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 2.267,50, en moet het griffierecht van € 136,- vergoeden.